Skip to main content

Erasmus+

EU programme for education, training, youth and sport
Doorzoek de gids

Deze webpagina geeft nog geen weergave van de inhoud van de programmagids van Erasmus+ 2023.

Maar u kunt de volledige gids voor 2023 in de door u gekozen taal in pdf-formaat downloaden door te klikken op “Download” op de rechterkant van deze pagina.

Capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs

De actie Capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs ondersteunt internationale samenwerkingsprojecten op basis van multilaterale partnerschappen tussen organisaties die actief zijn op het gebied van hoger onderwijs. Hiermee worden de relevantie, kwaliteit, modernisering en ontvankelijkheid van het hoger onderwijs in niet met het Erasmus+-programma geassocieerde derde landen ondersteund voor sociaal-economisch herstel, groei en welvaart, en in reactie op recente trends, met name de economische mondialisering, maar ook op de recente afname van menselijke ontwikkeling, kwetsbaarheid en toenemende sociale, economische en ecologische ongelijkheden die door de COVID-19-pandemie zijn verergerd.

De actie zal naar verwachting bijdragen tot de overkoepelende prioriteiten van de Europese Commissie: de Green Deal (met inbegrip van klimaatverandering, milieu en energie), de digitale transformatie en datatechnologieën, allianties voor duurzame groei en banen, migratiepartnerschappen, en governance, vrede en veiligheid en de externe dimensie van het interne beleid van de EU op het gebied van onderwijs. Met de actie zal een succesvol groen en duurzaam mondiaal economisch herstel worden ondersteund in de niet met het Erasmus+-programma geassocieerde derde landen, gekoppeld aan de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) en de Overeenkomst van Parijs.

De activiteiten en resultaten van projecten inzake capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs moeten erop gericht zijn de in aanmerking komende, niet met het programma geassocieerde derde landen en hun instellingen en stelsels voor hoger onderwijs ten goede te komen.

Doelstellingen van de actie

In het kader van de actie wordt specifiek voorzien in:

  • het verbeteren van de kwaliteit van het hoger onderwijs in niet met het programma geassocieerde derde landen en het vergroten van de relevantie ervan voor de arbeidsmarkt en de samenleving;
  • het verbeteren van het niveau van competenties, vaardigheden en het inzetbaarheidspotentieel van studenten in IHO’s in niet met het programma geassocieerde derde landen door nieuwe en innovatieve onderwijsprogramma’s te ontwikkelen;
  • het bevorderen van inclusief onderwijs, gelijkheid, billijkheid, non-discriminatie en de bevordering van burgerschapscompetenties in het hoger onderwijs in de niet met het programma geassocieerde derde landen;
  • het verbeteren van de onderwijs- en beoordelingsmechanismen voor het personeel en de studenten van IHO’s, kwaliteitsborging, management, bestuur, inclusie, innovatie, kennisbasis, digitale en ondernemerscapaciteiten, alsook de internationalisering van IHO’s in de niet met het programma geassocieerde derde landen;
  • het vergroten van de capaciteit van IHO’s, instanties die belast zijn met hoger onderwijs en de bevoegde autoriteiten van niet met het programma geassocieerde derde landen, om hun stelsels voor hoger onderwijs te moderniseren, met name op het gebied van bestuur en financiering, door de vaststelling, uitvoering en monitoring van hervormingsprocessen te ondersteunen;
  • het verbeteren van de opleiding van leerkrachten en bij- en nascholing om invloed uit te oefenen op de kwaliteit op langere termijn van het onderwijsstelsel in de niet met het programma geassocieerde derde landen;
  • het stimuleren van samenwerking tussen instellingen, capaciteitsopbouw en de uitwisseling van goede praktijken;
  • het stimuleren van samenwerking tussen verschillende regio’s in de wereld via gezamenlijke initiatieven.

De actie zal zorgen voor rechtvaardigheid en inclusie, systeemversterking en capaciteitsopbouw, alsook voor inzetbaarheid in alle onderdelen van de actie. Met de maatregelen zal niet langer alleen de modernisering van onderwijsprogramma’s als zodanig worden aangepakt, maar moet ook rekening worden gehouden met bestuur, beheer en de versterking van de bredere economische en sociale ecosystemen van het hoger onderwijs. Het aanpakken van regionale kwesties, het opbouwen van allianties en coalities, het uitproberen van nieuwe benaderingen en initiatieven op basis van de eigen inbreng van de landen zullen sterk worden aangemoedigd. Ondersteuning van de uitvoering van de Green Deal, vergroting van de ICT-capaciteit in de niet met het programma geassocieerde derde landen en de deelname van studenten aan plannings- en leerprocessen zullen horizontale elementen van de actie zijn. Er zal worden gezorgd voor samenhang, synergieën en complementariteit met andere relevante interventies van de Europese Unie op het terrein.

Verwachte gevolgen

  • in gemoderniseerde IHO’s zal niet alleen kennis worden overgedragen, maar zal ook economische en sociale waarde worden gecreëerd door de overdracht van hun onderwijs- en onderzoeksresultaten aan de gemeenschap/het land;
  • betere toegang tot en hogere kwaliteit van het hoger onderwijs, met name voor kansarmen en mensen in de armste landen in de verschillende regio’s;
  • meer deelname van IHO’s in afgelegen gebieden;
  • governance voor efficiënte en doeltreffende beleidsvorming en beleidsuitvoering op het gebied van het hoger onderwijs;
  • regionale integratie en totstandbrenging van vergelijkbare erkenning, kwaliteitsborgingsinstrumenten ter ondersteuning van academische samenwerking, mobiliteit voor studenten, personeel en onderzoekers;
  • een sterkere band en samenwerking met de particuliere sector, met bevordering van innovatie en ondernemerschap;
  • afstemming van de academische wereld op de arbeidsmarkt om de inzetbaarheid van studenten te vergroten;
  • meer zin voor initiatief en ondernemerschap onder studenten;
  • een hoger niveau van digitale competentie voor studenten en personeel;
  • institutionele verantwoordelijkheid voor de resultaten van capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs, waardoor de duurzaamheid wordt gewaarborgd;
  • nationale verantwoordelijkheid door het experimenteren met en horizontaal toepassen van positieve en beste praktijken op het gebied van hoger onderwijs;
  • verbeterd vermogen en vakmanschap om te functioneren op internationaal niveau: verbeterde managementvaardigheden en internationaliseringsstrategieën;
  • verbeterde kwaliteit in de voorbereiding, uitvoering, controle en follow-up van internationale projecten.

Activiteiten

De voorgestelde activiteiten moeten rechtstreeks verband houden met de bovengenoemde doelstellingen, de regionale prioritaire gebieden en de kenmerken van de onderdelen (zie hieronder) en zij moeten nader worden toegelicht in een projectbeschrijving die de gehele uitvoeringsperiode bestrijkt.

In het kader van deze actie moeten de projectactiviteiten erop gericht zijn de in aanmerking komende, niet met het programma geassocieerde derde landen en hun IHO’s en andere organisaties die actief zijn op het gebied van hoger onderwijs en stelsels te versterken en ten goede te komen. 

Met de gefinancierde projecten zal een breed scala aan samenwerkings-, uitwisselings-, communicatie- en andere activiteiten kunnen worden opgenomen, waarvan voorbeelden worden gegeven in het kader van de beschrijving van de drie onderdelen die voor deze actie beschikbaar zijn. De voorgestelde activiteiten moeten een meerwaarde betekenen en zullen een rechtstreeks effect hebben op de verwezenlijking van de projectresultaten.

Geografische streefdoelen 

Projecten voor capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs kunnen worden uitgevoerd als:                                            

  • nationale projecten, d.w.z. projecten waarbij instellingen zijn betrokken uit slechts één in aanmerking komend, niet met het Erasmus+-programma geassocieerd derde land;
  • meerlandenprojecten (regionaal) binnen één in aanmerking komende regio;
  • meerlandenprojecten binnen meer dan één regio (interregionaal), waarbij ten minste één land uit elke in aanmerking komende regio is betrokken1 .

Voor elke regio is een bepaald budget beschikbaar en wordt meer informatie over de beschikbare bedragen gepubliceerd op het Funding and Tender Opportunities Portal (FTOP): https://ec.europa.eu/info/funding-tenders/opportunities/portal/screen/home

Naast bijzondere aandacht voor het verbeteren van billijke en genderevenwichtige toegang tot IHO’s in niet met het programma geassocieerde derde landen, met name voor kansarmen, zal met de actie in alle regio’s een inclusieve aanpak worden gevolgd om de deelname van de armste en minst ontwikkelde, niet met het programma geassocieerde derde landen te vergroten.

Regionale prioritaire gebieden

Voor de onderdelen 1 en 2 moeten de voorstellen in overeenstemming zijn met vooraf vastgestelde regionale prioriteiten, die worden gepubliceerd op het Funding and Tender Opportunities Portal (FTOP): https://ec.europa.eu/info/funding-tenders/opportunities/portal/screen/home

Projectonderdelen

Om het hoofd te bieden aan de verschillende uitdagingen in de niet met het programma geassocieerde derde landen, bestaat de actie voor capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs uit drie specifieke onderdelen:

Onderdeel 1 – Bevorderen van de toegang tot samenwerking in het hoger onderwijs

Dit onderdeel is bedoeld om minder ervaren IHO’s en kleinschalige actoren aan te trekken voor de actie voor capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs om de toegang tot nieuwkomers te vergemakkelijken2 . Deze partnerschappen moeten dienen als een eerste stap voor IHO’s en organisaties met een kleinere operationele capaciteit in niet met het programma geassocieerde derde landen om toegang te krijgen tot middelen en om meer middelen te verschaffen om kansarme mensen te bereiken. Met dit onderdeel zullen kleinschalige projecten worden gefinancierd om de internationaliseringskloof tussen IHO’s uit in aanmerking komende, niet met het programma geassocieerde derde landen, uit hetzelfde land of dezelfde regio, te verkleinen. Met de projecten moeten partnerschappen tot stand worden gebracht om ideeën voor samenwerking te ontwikkelen en de overdracht van kennis, ervaring en goede praktijken te vergemakkelijken, de toegang tot mogelijkheden voor capaciteitsopbouw te bevorderen en de sociale inclusie en de toegang van kansarme studenten/personeelsleden tot een kwalitatief hoger onderwijsaanbod te verbeteren. Deze projecten zijn met name gericht op:

  • IHO’s uit de minst ontwikkelde landen die niet met het Erasmus+-programma zijn geassocieerd;
  • IHO’s in afgelegen regio’s/gebieden in derde landen die niet met het Erasmus+-programma zijn geassocieerd;
  • nieuwkomers of minder ervaren IHO’s en faculteiten uit niet met het programma geassocieerde derde landen;
  • betrokkenheid van kansarme studenten en personeel.

Activiteiten

De voorgestelde activiteiten en de projectresultaten moeten een duidelijke meerwaarde hebben voor de beoogde begunstigden. Hieronder volgt een niet-uitputtende opsomming van mogelijke activiteiten:

Activiteiten ter verbetering van de beheers- en administratieve capaciteit van de beoogde iho’s, zoals:

  • het hervormen en moderniseren van het bestuur van universiteiten, waaronder de verbetering van de dienstverlening, met name ten behoeve van studenten (begeleiding van studenten, advies, beroepsoriëntatie enz.);
  • het oprichten of versterken van bureaus voor internationale betrekkingen en het uitwerken van internationaliseringsstrategieën;
  • het oprichten of ontwikkelen van bestaande eenheden voor kwaliteitsborging en processen/een strategie binnen IHO’s;
  • het creëren of vergroten van de capaciteit van plannings- en evaluatie-eenheden; 
  • het versterken van mechanismen voor de communicatie en verspreiding van de resultaten van internationale samenwerkingsprojecten;
  • capaciteitsopbouw ter ondersteuning van activiteiten voor de mobiliteit van studenten en personeel.

Activiteiten die gericht zijn op het waarborgen van hoogwaardig en relevant onderwijs, zoals:

  • modules of studieprogramma’s, technische of professionele oriëntatie van programma’s;
  • het opzetten van intensieve studieprogramma’s waarin studenten en onderwijzend personeel van deelnemende IHO’s voor kortere studieperioden bijeen worden gebracht;
  • het ontwikkelen van capaciteiten voor postdoctoraalstudenten en academisch personeel alsook het bevorderen van de mobiliteit van postdoctoraalstudenten en/of personeel;
  • het geven van opleidingscursussen voor academisch personeel van IHO’s;
  • het creëren van synergieën en het versterken van de banden met het bedrijfsleven en met particuliere of publieke organisaties die actief zijn op de arbeidsmarkt en op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken.

Activiteiten die gericht zijn op het verbeteren van de toegankelijkheid voor kansarme studenten/personeelsleden, zoals:

  • het ontwikkelen van trajecten en mogelijkheden voor inclusief leren en leren op afstand door gebruik te maken van digitale technologie en e-learning voor kwetsbare studenten;
  • het actualiseren van de digitale technologie om specifieke diensten te ontwikkelen die gericht zijn op het waarborgen van gelijke en eerlijke leermogelijkheden voor studenten met een handicap;
  • het bevorderen van initiatieven die gericht zijn op positieve discriminatie door vrouwen en etnische/religieuze minderheden mondiger te maken;
  • het ontwikkelen van initiatieven om de belemmeringen voor kansarme groepen bij de toegang tot leermogelijkheden aan te pakken en te verminderen;
  • het bijdragen tot de totstandbrenging van inclusieve omgevingen die billijkheid en gelijkheid bevorderen en die inspelen op de behoeften van de bredere gemeenschap.

Onderdeel 2 – Partnerschappen voor de transformatie van het hoger onderwijs

Projecten in het kader van dit onderdeel zijn gericht op de verschillende maten van vooruitgang en uitdagingen van IHO’s in niet met het programma geassocieerde en in aanmerking komende derde landen, vergroten het effect van het programma en vormen waar nodig een aanvulling op andere financieringsbronnen. Met deze projecten worden nieuwe benaderingen en initiatieven in het hoger onderwijs geïntroduceerd op basis van intercollegiaal leren (peer learning) en de overdracht van ervaringen en goede praktijken die niet alleen van invloed zijn op de instellingen, maar ook op de samenleving in haar geheel. Partnerschappen voor de transformatie van het hoger onderwijs zijn complexe en innovatieve projecten voor capaciteitsopbouw op basis van een overdracht van ervaring, competenties en goede praktijken met een reeks onderling verbonden activiteiten die tot doel hebben de capaciteiten van de beoogde IHO’s te versterken om het hoofd te bieden aan de uitdagingen van de 21e eeuw, zoals migratie, klimaatverandering, governance en verschuivingen naar een digitale economie. De resultaten van de projecten moeten een significant langetermijneffect hebben op de beoogde IHO’s na afloop van de looptijd van de projecten en als zodanig ten goede komen aan de samenleving als geheel.

Met deze projecten zullen met name de volgende elementen worden gebundeld ten behoeve van IHO’s in de niet met het E+-programma geassocieerde derde landen:

  • Innovatie in het hoger onderwijs om de relevantie ervan voor de arbeidsmarkt en de samenleving te vergroten. Met de voorgestelde projecten zullen naar verwachting de discrepanties tussen de behoeften van werkgevers en het aanbod van instellingen voor hoger onderwijs worden aangepakt en zullen integrale oplossingen worden voorgesteld om de inzetbaarheid van studenten te verbeteren. Dit kan worden bereikt door uitgebreide interventies uit te voeren, waaronder:
    • het ontwerpen van innovatieve curricula en het introduceren van innovatieve elementen in de bestaande curricula;
    • het toepassen van innovatieve leer- en onderwijsmethoden (d.w.z. onderwijs- en leermethoden waarin de lerende centraal staat en waarin de nadruk wordt gelegd op vaardigheden om concrete problemen op te lossen);
    • actief betrokken zijn bij het bedrijfsleven en bij onderzoek, het organiseren van programma’s en activiteiten voor nascholing samen met en in ondernemingen;
    • het versterken van de capaciteiten van IHO’s in de niet met het Erasmus+-programma geassocieerde derde landen om doeltreffend te netwerken op het gebied van onderzoek en wetenschappelijke en technologische innovatie.
  • Het bevorderen van hervormingen in IHO’s om een katalysator te worden voor de economische en sociale ontwikkeling in de niet met het programma geassocieerde derde landen. Projecten moeten IHO’s ondersteunen bij de ontwikkeling en uitvoering van institutionele hervormingen waardoor zij democratischere, inclusievere, rechtvaardigere en volwaardige onderdelen van het maatschappelijk middenveld zullen worden. Institutionele hervormingen omvatten nieuwe bestuurs- en beheersystemen en -structuren, paraatheid op het gebied van digitale vaardigheden, moderne universitaire diensten, kwaliteitsborgingsprocessen, instrumenten en methoden voor de professionalisering en professionele ontwikkeling van academisch, technisch en administratief personeel.  De ontwikkeling van ondernemersgeest en betere competenties en vaardigheden binnen de instellingen zijn belangrijke aspecten voor het welslagen van dit onderdeel. Het aanleren van transversale vaardigheden, onderwijs in ondernemerschap en de praktische toepassing van ondernemersvaardigheden zullen IHO’s in staat stellen hun kennis en hulpmiddelen ten dienste te stellen van hun lokale/nationale/regionale gemeenschappen.

Activiteiten

De voorgestelde activiteiten en de projectresultaten moeten een duidelijke meerwaarde hebben voor de beoogde begunstigden. Hieronder volgt een niet-uitputtende opsomming van mogelijke activiteiten:

  • het ontwikkelen, testen en aanpassen van innovatieve curricula met betrekking tot de inhoud [sleutelcompetenties en transversale vaardigheden, (ondernemerschap, probleemoplossing, groene banen enz.)], structuur (modulair, gezamenlijk ...) en onderwijs- en leermethoden (onder andere het gebruik van open en flexibel leren, virtuele mobiliteit, open leermiddelen, gemengd leren, open onlinecursussen voor een groot publiek (Massive Open Online Course, MOOC) enz.);
  • het ontwikkelen, testen en toepassen van nieuwe leermethoden, -instrumenten en -materialen (zoals nieuwe multidisciplinaire curricula, onderwijs- en leermethoden waarin de lerende centraal staat en waarin de nadruk wordt gelegd op vaardigheden om concrete problemen op te lossen) door middel van praktische opleiding en stages voor studenten;
  • het introduceren van hervormingen zoals die van het Bolognaproces (structuur met drie cycli, transparantie-instrumenten zoals kredietsystemen en het diplomasupplement, kwaliteitsborging, evaluatie, nationale/regionale kwalificatiekaders, erkenning van eerder en niet-formeel leren enz.) op institutioneel niveau;
  • het introduceren van praktische opleidingsprogramma’s, stages en bestudering van praktijkvoorbeelden in het bedrijfsleven en de industrie, die volledig in het leerplan geïntegreerd en erkend en gecrediteerd zijn;
  • het introduceren van systemen voor alternerend leren waarbij tertiair onderwijs wordt gecombineerd met hoger secundair beroepsonderwijs en -opleiding om de inzetbaarheid van afgestudeerden te vergroten;
  • het ontwikkelen van oplossingen voor belangrijke vraagstukken, product- en procesinnovatie (studenten, professoren en praktijkmensen tezamen);
  • het ontwikkelen en testen van oplossingen voor prangende sociale behoeften die nog niet worden ingevuld door de markt en gericht zijn op kwetsbare groepen in de samenleving; het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen of uitdagingen in verband met veranderende attitudes en waarden, strategieën en beleid, organisatiestructuren en -processen, leveringssystemen en -diensten;
  • het ondersteunen van de oprichting van centra, starterscentra voor innovatie, technologieoverdracht en het opstarten van bedrijven, en van de integratie van onderwijs, onderzoek en innovatie op institutioneel/regionaal/nationaal niveau;
  • het ontwikkelen en testen van programma’s en activiteiten voor postinitieel onderwijs met en in ondernemingen;
  • opzetten van structuren om innovatieve maatregelen uit te proberen en uit te testen; uitwisseling van studenten, onderzoekers, onderwijzend personeel en bedrijfspersoneel gedurende een beperkte periode; het bieden van stimulansen voor de betrokkenheid van bedrijfspersoneel bij onderwijs en onderzoek;
  • het hervormen van de bestuurs- en beheerssystemen en -structuren op institutioneel niveau (waaronder kwaliteitsborgingsmethoden en -systemen, financieel beheer en de autonomie van IHO’s, internationale betrekkingen, diensten en advies voor studenten, loopbaanbegeleiding, academische en onderzoekscommissies enz.);
  • het ontwikkelen van strategieën en instrumenten voor de internationalisering van IHO’s (internationale openheid van curricula, interinstitutionele mobiliteitsregelingen) en hun vermogen om doeltreffend te netwerken op het gebied van onderzoek en wetenschappelijke en technologische innovatie (wetenschappelijke samenwerking en kennisoverdracht enz.);
  • het ontwikkelen en testen van oplossingen voor prangende sociale behoeften die nog niet worden ingevuld door de markt en gericht zijn op kwetsbare groepen in de samenleving; het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen of uitdagingen in verband met veranderende attitudes en waarden, strategieën en beleid, organisatiestructuren en -processen, leveringssystemen en -diensten;
  • het ontwikkelen van oplossingen voor belangrijke vraagstukken, product- en procesinnovatie (studenten, professoren en praktijkmensen tezamen);
  • het ontwikkelen, aanpassen en verstrekken van instrumenten en methoden voor de bijscholing, evaluatie/beoordeling, professionalisering en professionele ontwikkeling van academisch en administratief personeel, voor de initiële opleiding van leerkrachten en permanente loopbaanontwikkeling;

Onderdeel 3 – Projecten voor structurele hervormingen

Projecten in het kader van dit onderdeel ondersteunen de inspanningen in niet met het E+-programma geassocieerde derde landen om coherente en duurzame stelsels voor hoger onderwijs te ontwikkelen om te voldoen aan hun sociaal-economische behoeften en hun brede ambitie om een kenniseconomie tot stand te brengen. Het horizontaal toepassen en opschalen van succesvolle resultaten en synergieën met lopende steun of steun in de pijplijn in het gebied in het kader van bilaterale steunprogramma’s zijn ook elementen van dit onderdeel. Met projecten voor structurele hervormingen zal tegemoet worden gekomen aan de behoeften van in aanmerking komende, niet met het Erasmus+-programma geassocieerde derde landen om duurzame systemische en structurele verbetering en innovatie op het niveau van de sector hoger onderwijs te ondersteunen. Meer in het bijzonder zullen deze projecten zijn gericht op de inspanningen van landen om coherente en duurzame stelsels voor hoger onderwijs te ontwikkelen om aan hun sociaal-economische behoeften te voldoen en uiteindelijk een kenniseconomie tot stand te brengen. Door de bevoegde nationale autoriteiten (met name ministeries van Onderwijs) van niet met het programma geassocieerde derde landen, IHO’s, onderzoeksinstellingen en andere relevante autoriteiten/organen en belanghebbenden bij projecten te betrekken, zullen met deze projecten met name:

  • samenwerking en wederzijds leren onder en tussen overheidsinstanties op het hoogste institutionele niveau van de EU-lidstaten of met het Erasmus+-programma geassocieerde landen en de in aanmerking komende, niet met het Erasmus+-programma geassocieerde derde landen worden aangemoedigd om systemische verbetering en innovatie in de sector hoger onderwijs te bevorderen;
  • inclusieve stelsels voor hoger onderwijs worden bevorderd die de juiste voorwaarden kunnen bieden voor studenten met verschillende achtergronden om toegang te krijgen tot leren en succes te behalen. Daarom moet bijzondere aandacht worden besteed aan kansarmen;
  • de capaciteiten van IHO’s van niet met het Erasmus+-programma geassocieerde derde landen, instanties die belast zijn met hoger onderwijs en de bevoegde autoriteiten (met name ministeries) worden vergroot door middel van hun deelname aan de vaststelling, uitvoering en monitoring van hervormingsprocessen om hun stelsels voor hoger onderwijs te moderniseren, met name op het gebied van bestuur en financiering;
  • synergieën worden vastgesteld met lopende EU-initiatieven in het/de niet met het programma geassocieerde derde land(en) op gebieden die onder Erasmus+ vallen.

Activiteiten

Met de projecten moeten activiteiten worden voorgesteld die een duidelijke meerwaarde voor het stelsel voor hoger onderwijs als geheel opleveren en een rechtstreeks effect op de beoogde begunstigden hebben. Deze activiteiten moeten bijdragen tot de hervorming van het hogeronderwijsbeleid dat inspeelt op de behoeften van de samenleving en de arbeidsmarkt.

Hieronder volgt een niet-uitputtende opsomming van mogelijke activiteiten:

  • Het bevorderen van de nationale verantwoordelijkheid door het experimenteren met en horizontaal toepassen van positieve en beste praktijken op het gebied van hoger onderwijs op nationaal en/of regionaal niveau:
    • om de inzetbaarheid van afgestudeerden te vergroten;
    • om de toegang tot hoger onderwijs voor kansarme personen te verruimen;
    • om de banden tussen onderwijs, onderzoek en innovatie te versterken.
  • Het bijdragen tot efficiënte en doeltreffende beleidsvorming op het gebied van het hoger onderwijs door andere belanghebbenden op het gebied van het hoger onderwijs erbij te betrekken:
    • de deelname van andere verantwoordelijke overheidsinstanties aanmoedigen om de relevantie van de sector hoger onderwijs te vergroten en het effect ervan op de samenleving als geheel te vergroten;
    • de actieve deelname van studenten aan het bestuur en de hervorming van het stelsel voor hoger onderwijs mogelijk maken;
    • verenigingen die actief zijn op andere relevante gebieden, zoals beroepsopleiding en jeugdwerk, erbij betrekken;
    • de internationale dimensie van het hoger onderwijs versterken door middel van samenwerking tussen instellingen op hoog niveau in EU-lidstaten of met het Erasmus+-programma geassocieerde landen en in in aanmerking komende, niet met het programma geassocieerde derde landen. Met name regelingen ontwikkelen en uitvoeren die de mobiliteit van studenten en academisch personeel vergemakkelijken, zoals het opzetten van een regionaal studiepuntenoverdrachtsysteem of steun voor de ontwikkeling van nationale kwalificatiekaders;
    • een nationaal/regionaal kader voor kwaliteitsborging definiëren.
  • Het bevorderen van regionale academische samenwerking en het bevorderen van vrijwillige convergentie van de niet met het Erasmus+-programma geassocieerde derde landen naar een gemeenschappelijke regionale strategie op het gebied van hoger onderwijs:
    • stappen vaststellen om een regionale ruimte voor hoger onderwijs tot stand te brengen;
    • nationale en grensoverschrijdende erkenning bevorderen;
    • belemmeringen met betrekking tot leren wegnemen, de toegang tot hoogwaardig en innovatiegericht onderwijs verbeteren en het voor verkeer van leerkrachten, lerenden en werknemers tussen landen vergemakkelijken.
  • Het bevorderen van de invoering van financieringsmechanismen die gericht zijn op:
    • het vergroten van de deelname van kansarme personen aan het hoger onderwijs;
    • het overbruggen van de digitale kloof op institutioneel en individueel niveau.
  • Het aantrekkelijker maken van het beroep van leraar door maatregelen te nemen zoals:
    • initiatieven voor loopbaanontwikkeling bevorderen;
    • hun deelname aan de internationalisering van het hoger onderwijs bevorderen door stimulansen te creëren.

Verantwoordelijke overheidsinstanties met bevoegdheden in de sectoren waarop het project betrekking heeft (bv. werkgelegenheid, jeugdwerk, financiën, sociale zaken, binnenlandse zaken, justitie, gezondheid enz.) worden aangemoedigd aan de projecten deel te nemen, evenals autoriteiten uit EU-lidstaten of met het Erasmus+-programma geassocieerde landen.

IHO’s uit in aanmerking komende, niet met het Erasmus+-programma geassocieerde derde landen worden met name aangemoedigd om in het kader van dit onderdeel als aanvrager op te treden.

Subsidiabiliteitscriteria

Wie kan een aanvraag indienen?

Voor de onderdelen 1 en 2: IHO’s, verenigingen of organisaties van IHO’s die zijn gevestigd in een EU-lidstaat of een met het Erasmus+-programma geassocieerd derde land of in een in aanmerking komend, niet met het Erasmus+-programma geassocieerd derde land. De aanvragende instelling dient de aanvraag in namens alle deelnemende organisaties die bij het voorstel zijn betrokken3 .

Daarnaast geldt voor onderdeel 3: Wettelijk erkende nationale of internationale rectoren-, docenten- of studentenorganisaties die zijn gevestigd in een EU-lidstaat of een met het Erasmus+-programma geassocieerd derde land of in een in aanmerking komend, niet met het Erasmus+-programma geassocieerd derde land.

Uitzondering: deelnemende organisaties uit Belarus (regio 2), Syrië (regio 3) en de Russische Federatie (regio 4) kunnen geen aanvraag indienen4 .

Welke soorten organisaties komen in aanmerking voor deelname aan het project?

Elke deelnemende organisatie moet gevestigd zijn in een EU-lidstaat of een met het Erasmus+-programma geassocieerd derde land, of in een in aanmerking komend, niet met het Erasmus+-programma geassocieerd derde land (zie deel A van deze gids onder “Begunstigde landen”).

Voor deze actie in aanmerking komende, niet met het Erasmus+-programma geassocieerde derde landen:

Alle niet met het programma geassocieerde derde landen (zie deel A van deze gids onder “Begunstigde landen”) in de regio’s 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 115 .

Uitzondering: organisaties uit Belarus (regio 2) komen niet in aanmerking voor deelname aan deze actie.

In aanmerking komende deelnemende organisaties:

  • elke openbare of particuliere organisatie die als instelling voor hoger onderwijs is gedefinieerd en als zodanig is erkend door de bevoegde autoriteiten van het land waar zij is gevestigd, met aan hen gelieerde entiteiten (indien van toepassing), die complete studieprogramma’s aanbieden die worden bekroond met hogeronderwijsgraden en erkende diploma’s op tertiair niveau6  (gedefinieerd als instelling voor hoger onderwijs en als zodanig erkend door de bevoegde autoriteiten);
  • publieke of particuliere organisaties, met aan hen gelieerde entiteiten (indien van toepassing), die actief zijn op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken en die zijn gevestigd in in aanmerking komende, niet met het Erasmus+-programma geassocieerde derde landen. Voorbeelden van dergelijke organisaties zijn:
    • kleine, middelgrote of grote ondernemingen uit de publieke of particuliere sector (met inbegrip van sociale ondernemingen);
    • lokale, regionale of nationale publieke organen (met inbegrip van ministeries);
    • sociale partners of andere vertegenwoordigers uit het beroepsleven, met inbegrip van kamers van koophandel, ambachtelijke/beroepsverenigingen en vakbonden;
    • onderzoeksinstellingen;
    • stichtingen;
    • scholen/instituten (op elk niveau, van peuter- en kleuteronderwijs tot hoger secundair onderwijs, met inbegrip van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie);
    • organisaties of verenigingen zonder winstoogmerk, niet-gouvernementele organisaties (met inbegrip van nationale of internationale verenigingen of verenigingen/netwerken van IHO’s, studenten- of docentenverenigingen enz.);
    • culturele organisaties, bibliotheken, musea;
    • verstrekkers van diensten inzake studie- en beroepskeuzevoorlichting.

IHO’s die zijn gevestigd in een EU-lidstaat of een met het Erasmus+-programma geassocieerd derde land moeten houder zijn van een geldig Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE). Een ECHE is niet vereist voor deelnemende IHO’s in in aanmerking komende, niet met het Erasmus+-programma geassocieerde derde landen.

Verenigingen of organisaties van IHO’s die zich bezighouden met de bevordering, verbetering en hervorming van het hoger onderwijs en de samenwerking binnen Europa en tussen Europa en andere delen van de wereld komen in aanmerking. Als ook andere onderwijs- en opleidingssectoren deel uitmaken van dergelijke verenigingen, organisaties of netwerken, moeten de activiteiten ervan in eerste instantie op het hoger onderwijs zijn gericht; dit moet duidelijk tot uiting komen in de organisatorische statuten en beheersstructuren.

Een vereniging, organisatie of netwerk van IHO’s geldt als één juridische entiteit/partnerinstelling; dit houdt in dat de vereniging, de organisatie of het netwerk, wat de vereisten voor het minimumaantal deelnemende organisaties betreft, wordt beschouwd als één entiteit uit het land waarin het hoofdkantoor is gevestigd. Deze organisaties worden niet beschouwd als IHO’s. De subsidie kan alleen worden verleend aan de leden die in een EU-lidstaat of met het programma geassocieerde derde land of in een in aanmerking komend, niet met het programma geassocieerd derde land zijn gevestigd.

Internationale gouvernementele organisaties mogen op basis van zelffinanciering als partners deelnemen aan projecten voor capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs.

Aantal deelnemende organisaties en profiel daarvan

Nationale projecten die slechts betrekking hebben op één niet met het Erasmus+-programma geassocieerd derde land

Deelname van landen

Eén in aanmerking komend, niet met het programma geassocieerd derde land en ten minste twee EU-lidstaten of met het programma geassocieerde landen moeten bij het project worden betrokken.

Deelname van IHO’s

Aan projecten moet een minimumaantal IHO’s deelnemen als volwaardige partner, als volgt:

  • ten minste één IHO uit elke deelnemende EU-lidstaat of een met het programma geassocieerd derde land, en
  • ten minste twee IHO’s uit het deelnemende niet met het programma geassocieerde derde land.

Daarnaast (alleen onderdeel 3):

  • bij projecten moet ook, als een volwaardige partner, de bevoegde nationale autoriteit (bv. het ministerie) zijn betrokken die verantwoordelijk is voor het hoger onderwijs van het in aanmerking komende, niet met het door het project beoogde programma geassocieerde derde land.

Meerlandenprojecten die betrekking hebben op twee of meer niet met het Erasmus+-programma geassocieerde derde landen

Deelname van landen

Ten minste twee in aanmerking komende, niet met het programma geassocieerde derde landen en ten minste twee EU-lidstaten of met het programma geassocieerde landen moeten bij het project worden betrokken. Niet met het programma geassocieerde derde landen kunnen afkomstig zijn uit dezelfde regio (regionale projecten) of uit verschillende regio’s (regio-overschrijdende projecten) waarop de actie betrekking heeft.

Deelname van IHO’s

Aan deze projecten moet het minimumaantal IHO’s deelnemen als volwaardige partner, als volgt:

  • ten minste één IHO uit elke deelnemende EU-lidstaat of met het Erasmus+-programma geassocieerde derde land, en
  • ten minste twee IHO’s uit elk van de deelnemende, niet met het Erasmus+-programma geassocieerde derde landen.

Daarnaast (alleen onderdeel 3):

  • bij projecten moet ook, als een volwaardige partner, de bevoegde nationale autoriteit (bv. het ministerie) zijn betrokken die verantwoordelijk is voor het hoger onderwijs van het in aanmerking komende, niet met het door het project beoogde programma geassocieerde derde land.

Specifieke criteria voor alle projecten voor capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs:

Het aantal IHO’s uit EU-lidstaten of met het Erasmus+-programma geassocieerde landen mag niet groter zijn dan het aantal IHO’s uit niet met het programma geassocieerde derde landen.

Uitzondering: in het geval van niet met het programma geassocieerde derde landen waar het aantal IHO’s in het gehele land lager is dan vijf, of ingeval één enkele instelling meer dan 50 % van de totale studentenpopulatie van het land vertegenwoordigt, worden aanvragen met slechts één IHO uit die landen aanvaard.

Aanvullende specifieke criteria:

  • bij projecten waarbij partners uit regio 1 zijn betrokken (in het kader van de onderdelen 1 en 2) moeten ten minste twee niet met het Erasmus+-programma geassocieerde derde landen uit die regio zijn betrokken.
  • bij projecten waarbij partners uit regio 4 zijn betrokken moet ten minste één ander niet met het Erasmus+-programma geassocieerd derde land zijn betrokken.
  • bij projecten waarbij partners uit de regio’s 10 en 11 zijn betrokken (in het kader van de onderdelen 1 en 2), moeten ten minste twee niet met het programma geassocieerde derde landen uit deze regio’s zijn betrokken.
  • Syrië komt niet in aanmerking voor structurele projecten in het kader van onderdeel 3.                                                                          

Duur van het project

De duur moet in de aanvraagfase worden gekozen op basis van de doelstelling van het project en het soort geplande activiteiten. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan een verlenging van de subsidiabiliteitsperiode (met maximaal 12 maanden) worden toegekend, indien het voor het partnerschap onmogelijk wordt om het project binnen de geplande termijn af te ronden.

Onderdeel 1

Projecten kunnen 24 of 36 maanden duren

Onderdeel 2

Projecten kunnen 24 of 36 maanden duren

Onderdeel 3

Projecten kunnen 36 of 48 maanden duren

Waar aanvragen?

Bij het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur (EACEA).

Onderdeel 1

Oproep-ID: ERASMUS -EDU-2022-CBHE

Onderwerp-ID: ERASMUS -EDU-2022-CBHE-STRAND-1

Onderdeel 2

Oproep-ID: ERASMUS -EDU-2022-CBHE

Onderwerp-ID: ERASMUS -EDU-2022-CBHE-STRAND-2

Onderdeel 3

Oproep-ID: ERASMUS -EDU-2022-CBHE

Onderwerp-ID: ERASMUS -EDU-2022-CBHE-STRAND-3

Wanneer aanvragen?

Subsidieaanvragen moeten uiterlijk op 17 februari om 17:00:00 uur (belgische tijd) worden ingediend.

Toekenningscriteria

Het project wordt beoordeeld in een tweestapsprocedure op grond van de volgende criteria:

Stap 1

Relevantie van het project - (Maximaal 30 punten)

  • Doel: het voorstel is relevant voor de doelstellingen en activiteiten van de actie inzake capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs en de specifieke kenmerken van het onderdeel. Het vormt een adequaat antwoord op de huidige behoeften en beperkingen van het (de) doelland(en) of -regio(‘s) en van de doelgroepen en eindbegunstigden. Er wordt rekening gehouden met de behoeften van de kansarme deelnemers (indien van toepassing). De mate waarin het voorstel betrekking heeft op de overkoepelende prioriteiten van de EU.
  • Doelstellingen: de doelstellingen berusten op een gedegen behoefteanalyse; zij zijn duidelijk omschreven, specifiek, meetbaar, haalbaar, realistisch en tijdgebonden. Zij zijn gericht op kwesties die relevant zijn voor de deelnemende organisaties (in overeenstemming met de moderniserings-, ontwikkelings- en internationaliseringsstrategie van de beoogde IHO’s) en op ontwikkelingsstrategieën voor het hoger onderwijs in de in aanmerking komende, niet met het programma geassocieerde derde landen.
  • Link naar EU-beleid en -initiatieven: in het voorstel worden, voor zover van toepassing, de complementariteit/synergieën met andere door de EU en andere entiteiten (publieke en particuliere) gefinancierde interventies in aanmerking genomen en versterkt.
  • Meerwaarde van de EU: uit het voorstel blijkt dat vergelijkbare resultaten niet zouden kunnen worden bereikt zonder de medewerking van IHO’s uit de EU-lidstaten of met het programma geassocieerde derde landen en zonder EU-financiering.

Met name voor onderdeel 1

  • Het voorstel is duidelijk gericht op de vooraf bepaalde regionale prioriteiten voor het (de) doelland(en) of -regio(‘s).

Met name voor onderdeel 2

  • Het voorstel omvat innovatieve elementen en de modernste methoden en technieken op het vastgestelde interventiegebied.
  • Het voorstel is duidelijk gericht op de vooraf bepaalde regionale prioriteiten voor het (de) doelland(en) of -regio(‘s).

Met name voor onderdeel 3

  • Het voorstel is gericht op de hervorming en modernisering van het/de stelsel(s) voor hoger onderwijs in overeenstemming met de ontwikkelingsstrategieën van de beoogde niet met het programma geassocieerde derde landen.
  • Uit het voorstel blijkt een sterke institutionele steun van de bevoegde autoriteit op het gebied van hoger onderwijs.

Kwaliteit van projectontwerp en –uitvoering - (Maximaal 30 punten)

  • Samenhang: de opzet van het gehele project garandeert de onderlinge afstemming tussen projectdoelstellingen, methodologie, activiteiten en het voorgestelde budget. Het voorstel vormt een samenhangend en alomvattend geheel van passende activiteiten om te voorzien in de onderkende behoeften en de verwachte resultaten te bewerkstelligen.
  • Methodologie: de logica van de interventie is van goede kwaliteit, de geplande resultaten en uitkomsten zijn coherent en haalbaar, en de belangrijke veronderstellingen en risico’s zijn duidelijk geïdentificeerd. De structuur en inhoud van de logframe-matrix (LFM, Logical Framework Matrix) zijn passend, d.w.z. de keuze van objectief verifieerbare indicatoren, beschikbaarheid van gegevens, basisgegevens, streefwaarden enz.;
  • Werkplan: de kwaliteit en doeltreffendheid van het werkplan, waaronder de mate waarin de aan de werkpakketten toegewezen middelen overeenstemmen met de doelstellingen en beoogde resultaten van de werkpakketten; de verhouding tussen de middelen en de verwachte resultaten is adequaat en het werkplan is realistisch, met duidelijk omschreven activiteiten, tijdschema’s, duidelijke resultaten en mijlpalen.
  • Budget: het voorstel is kostenefficiënt en met het voorstel worden de passende financiële middelen toegekend die nodig zijn voor een succesvolle uitvoering van het project. Het geraamde budget wordt noch overschat noch onderschat.
  • Kwaliteitscontrole: controlemaatregelen (doorlopende kwaliteitsbeoordeling, intercollegiale toetsing, benchmarking, risicobeperkende maatregelen enz.) en kwaliteitsindicatoren zorgen ervoor dat het project op kwalitatief hoogstaande wijze wordt uitgevoerd.
  • Milieuduurzaamheid: het project is op een milieuvriendelijke manier opgezet en omvat groene praktijken (bv. groen reizen) in verschillende projectfasen.

Kwaliteit van het partnerschap en de samenwerkingsregelingen - (Maximaal 20 punten)

  • Beheer: er wordt gezorgd voor goed onderbouwde beheersystemen. Tijdschema’s, governancestructuren, samenwerkingsregelingen en verantwoordelijkheden zijn nauwkeurig omschreven en realistisch.
  • Samenstelling: het partnerschap omvat een passende mix van organisaties met de nodige competenties die van belang zijn voor de doelstellingen van het voorstel en voor de specifieke kenmerken van het onderdeel; het voorstel omvat het meest geschikte en meest uiteenlopende scala van niet-academische partners.
  • Taken: rollen en taken worden toegewezen op basis van de specifieke knowhow, profielen en ervaring van elke partner, en zijn passend.
  • Samenwerking: er worden doeltreffende mechanismen voorgesteld om efficiënte samenwerking, communicatie en conflictoplossing te waarborgen tussen de partnerorganisaties en andere relevante belanghebbenden.
  • Inzet: de projectpartners leveren een wezenlijke, ter zake dienende en complementaire bijdrage;  uit het voorstel blijkt dat de partners betrokken zijn bij, zich inzetten voor en verantwoordelijkheid dragen voor de specifieke doelstellingen en resultaten van het project, met name uit de niet met het programma geassocieerde derde landen.

Met name voor onderdeel 2

  • Het voorstel omvat relevante niet-academische organisaties en belanghebbenden die een innovatieve meerwaarde voor de doelstellingen van het voorstel zullen opleveren.

Met name voor onderdeel 3

  • Uit het voorstel blijkt dat de bevoegde nationale autoriteiten op bevredigende wijze betrokken zijn bij het sturen en uitvoeren van de actie.

Duurzaamheid, effect en verspreiding van de verwachte resultaten - (Maximaal 20 punten)

  • Benutting: uit het voorstel blijkt hoe de resultaten van het project zullen worden gebruikt door de partners en andere belanghebbenden, hoe multiplicatoreffecten zullen worden gewaarborgd (met inbegrip van ruimte voor reproductie en uitbreiding van de resultaten van de actie op sectoraal en lokaal/regionaal/nationaal of internationaal niveau) en het voorstel voorziet in middelen om de benutting binnen de financieringstermijn van het project en daarna te meten.
  • Verspreiding: het voorstel bevat een duidelijk en efficiënt plan voor de verspreiding van resultaten, en voorziet in passende activiteiten met bijbehorend tijdspad, instrumenten en communicatiekanalen om ervoor te zorgen dat de resultaten en voordelen efficiënt worden verspreid onder alle relevante belanghebbenden en niet-deelnemende partijen, waarbij binnen en na de financieringstermijn van het project contact wordt gelegd met relevante belanghebbenden en zij enthousiast worden gemaakt voor de resultaten;
  • Gevolgen: het voorstel zorgt voor een tastbaar effect op de doelgroepen en relevante belanghebbenden ervan op lokaal, nationaal of regionaal niveau. Het omvat maatregelen en doelstellingen en indicatoren om de vooruitgang te monitoren en het verwachte effect (op korte en lange termijn) te beoordelen op individueel, institutioneel en systemisch niveau.
  • Open toegang: voor zover van toepassing, wordt in het voorstel beschreven hoe geproduceerde documenten, materiaal en media vrij toegankelijk worden gemaakt en worden gepromoot onder open licenties en zonder onevenredige beperkingen;
  • Duurzaamheid: in het voorstel wordt uitgelegd hoe de projectresultaten financieel (na afloop van de projectfinanciering) en institutioneel (activiteiten en diensten blijven bestaan) in stand zullen blijven en hoe de lokale verantwoordelijkheid zal worden gewaarborgd.

Met name voor onderdeel 1:

  • Het voorstel zorgt voor een continue en duurzame aanpak van de bestaande belemmeringen en voor een betere toegang van kansarme studenten/personeelsleden tot de door de IHO’s geboden leermogelijkheden en -middelen.
  • Met het voorstel zal waarschijnlijk de internationale samenwerkingscapaciteit van instellingen van niet met het programma geassocieerde derde landen worden vergroot.

Met name voor onderdeel 2

  • Het voorstel zorgt voor een aanzienlijk effect op de instellingen van de niet met het programma geassocieerde derde landen, met name op de ontwikkeling van hun innovatiecapaciteit en de modernisering van hun bestuur, door zich open te stellen voor de samenleving in haar geheel, de arbeidsmarkt en de rest van de wereld.
  • Uit het voorstel blijkt het potentieel van het voorstel om invloed uit te oefenen op de samenleving en/of de economische sector.

Met name voor onderdeel 3

Uit het voorstel blijkt hoe de projectresultaten zullen leiden tot beleidshervormingen of tot de modernisering van het hoger onderwijs op systemisch niveau.

De aanvragen worden beoordeeld op een totaal van 100 punten. Om voor financiering in aanmerking te komen, moeten voorstellen in totaal een minimumscore van 60 punten behalen en een score van minstens de helft van het maximumaantal punten voor elk toekenningscriterium.

Bij een ex aequo wordt voorrang gegeven aan de projecten met de hoogste scores voor het criterium “Relevantie van het project” en vervolgens voor “Duurzaamheid, effect en verspreiding van de verwachte resultaten”.

Hierna worden voorstellen die aan de bovengenoemde kwaliteitsvereisten voldoen, gerangschikt in dalende volgorde op basis van hun totale score. Om door te gaan naar stap 2, wordt er een lijst van aanvragen per regio vastgesteld die twee keer zo groot is als het geschatte aantal gefinancierde projecten per onderdeel (op basis van het beschikbare regionale budget7 ).

Stap 2

De EU-delegatie(s) in het/de betrokken in aanmerking komende, niet met het Erasmus+-programma betrokken geassocieerde derde land(en) zullen worden geraadpleegd over de volgende aspecten:

  • erkenning van IHO’s door de nationale bevoegde autoriteiten;
  • haalbaarheid van het project in de lokale context van het/de derde land(en);
  • het project draagt bij aan de plaatselijke behoeften in het prioritaire gebied;
  • overlapping met bestaande initiatieven op het gekozen thematisch gebied dat wordt gefinancierd door de EU-delegatie, nationale of internationale donoren.

Alleen projecten die met succes de raadpleging van de EU-delegatie(s) hebben doorstaan zullen voor EU-financiering worden voorgesteld.

Als gevolg daarvan zal een aantal voorstellen voor een EU-subsidie worden ingediend overeenkomstig de rangschikking van voorstellen op basis van de toekenningscriteria in dalende volgorde en de resultaten van de raadpleging van de EU-delegatie, binnen de grenzen van het beschikbare budget per regio en tot maximaal twee gefinancierde voorstellen per aanvragende organisatie. Voor elk van de drie onderdelen is een indicatief budget voorzien, maar een overdracht van middelen van het ene onderdeel naar het andere is mogelijk.

Daarnaast houdt het evaluatiecomité rekening met:

  • een thematische verscheidenheid aan projecten en toereikende geografische vertegenwoordiging binnen een regio wat betreft het aantal projecten per land; 
  • naleving van de vereisten die van toepassing zijn op de volgende regio’s:
    • voor de landen van het Oostelijk Partnerschap:  voor de onderdelen 1 en 2 zal prioriteit worden gegeven aan IHO’s uit niet-hoofdstedelijke en/of plattelands- en/of meer afgelegen gebieden;  
    • voor Azië, Centraal-Azië, het Midden-Oosten en de Stille Oceaan: voor de onderdelen 1 en 2 zal prioriteit worden gegeven aan de minst ontwikkelde landen;
    • voor Afrika ten zuiden van de Sahara: voor alle onderdelen zal prioriteit worden gegeven aan de minst ontwikkelde landen; er wordt ook bijzondere nadruk gelegd op prioritaire landen op het gebied van migratie en op regionale projecten waarbij IHO’s uit verschillende landen zijn betrokken. Geen enkel land kan meer dan 8 % van de voor de regio voorziene financiering ontvangen.

Aanvullende informatie

De aanvaarding van een aanvraag houdt geen verbintenis in tot toekenning van financiële steun ter hoogte van het aangevraagde bedrag. De aangevraagde financiële steun kan worden verlaagd op basis van de financiële regels die van toepassing zijn op de onderdelen van de actie en de resultaten van de evaluatie.

Als algemene regel en binnen de grenzen van de bestaande nationale en Europese rechtskaders geldt dat de resultaten beschikbaar moeten worden gesteld als open leermiddelen alsook op relevante platforms van beroepsverenigingen, sectorverenigingen of bevoegde autoriteiten. In het voorstel wordt beschreven hoe geproduceerde gegevens, materiaal, documenten en audiovisuele en sociale media-activiteiten vrij toegankelijk worden gemaakt en gepromoot onder open licenties zonder dat er onevenredige beperkingen worden opgelegd.

Een project opzetten

Horizontale aspecten die in aanmerking moeten worden genomen bij het opzetten van uw project

De aanvragers worden ertoe aangemoedigd om bij het opzetten van hun project rekening te houden met de volgende horizontale prioriteiten:

Milieuduurzaamheid:

stelsels voor hoger onderwijs zijn van cruciaal belang voor de ondersteuning van de Green Deal en kunnen een ingrijpende verandering in het gedrag en de vaardigheden van mensen mogelijk maken. Projecten voor capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs worden aangemoedigd met het oog op de ontwikkeling van competenties in verschillende sectoren waar duurzaamheid een rol speelt, groene sectorspecifieke curricula en methoden, alsook toekomstgerichte curricula die beter voldoen aan de behoeften van individuen. Met Erasmus+ wordt ook het testen van innovatieve praktijken ondersteund om lerenden en aanbieders van hoger onderwijs voor te bereiden om echte aanjagers van verandering te worden.

Inclusie en diversiteit:

de rol van IHO’s is belangrijk om de capaciteit van toekomstige burgers, beleidsmakers en deskundigen op te bouwen om inclusieve groei en participatie in de samenleving te waarborgen en onderwijsstelsels billijker te maken. Er moeten ook mechanismen worden ingevoerd om te zorgen voor een betere participatie van kansarmen onder studenten, leerkrachten, onderzoekers en anderen, en door meer rekening te houden met sociale en economische achterstand en gender.

 Digitale transformatie:

onderwijs moet het potentieel van digitale technologie in de armste landen ontsluiten door de basis te leggen voor digitale vaardigheden, door de mediageletterdheid te verbeteren, om onderwijsstelsels beter bestand te maken tegen schokken, zoals de COVID-19-pandemie, en om de digitale kloof te overbruggen. Met Erasmus+ worden plannen voor digitale transformatie ondersteund en wordt het doelbewuste gebruik van digitale technologieën bevorderd. Dit omvat de ontwikkeling van een digitale pedagogie en deskundigheid inzake het gebruik van digitale hulpmiddelen, met inbegrip van toegankelijke en ondersteunende technologieën en het ontwerp en innovatieve gebruik van digitale onderwijsinhoud.

Maatschappelijke betrokkenheid en burgerparticipatie:

capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs kan helpen de basis te leggen voor het versterken van actief burgerschap en het opbouwen van specifieke expertise op gebieden als democratie, mensenrechten en multilateralisme. Projecten voor capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs kunnen helpen langetermijnoplossingen te vinden voor problemen van zwak bestuur in het hoger onderwijs.

Groei en banen:

onderwijs is nodig om vaardigheden op te bouwen voor leven en werk, zoals basisvaardigheden, “zachte” vaardigheden (bv. probleemoplossing, communicatie) en wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde (STEAM). Onderwijs ondersteunt ook de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en is een voorwaarde voor duurzame groei.

Daarnaast moet met het volgende rekening worden gehouden:

Inzet van partnerinstellingen voor het project

Een doeltreffend project voor capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs moet een sterke participatie waarborgen van alle partnerinstellingen, met name die in de niet met het programma geassocieerde derde landen. Een gedeelde verantwoordelijkheid bij het opstellen van het voorstel maakt hen verantwoordelijk voor de projectresultaten en de duurzaamheid van het project. Bij projecten voor capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs kunnen geassocieerde partners betrokken zijn die bijdragen aan specifieke taken/activiteiten van het project en de verspreiding en duurzaamheid van het project ondersteunen. Wat het contractbeheer betreft, worden “geassocieerde partners” niet als onderdeel van het partnerschap beschouwd en krijgen zij geen financiële steun.

Behoefteanalyse

Het beoordelen van de behoeften is de eerste belangrijke stap in de ontwikkeling van een voorstel voor capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs. Het doel van een behoefteanalyse is na te gaan welke gebieden/terreinen moeten worden versterkt en wat de redenen zijn voor de lacunes op die gebieden.  Dat vormt op zijn beurt het uitgangspunt voor het ontwerpen van passende interventies om de lacunes aan te pakken en aldus de capaciteit van de IHO’s op te bouwen.

Uitvoering en monitoring

Zodra de behoefteanalyses zijn afgerond, kan een uitvoeringsplan worden opgesteld om de vastgestelde lacunes aan te pakken.

De volgende kernelementen moeten in aanmerking worden genomen:

  • Modernisering/nieuwe curricula: projecten die “ontwikkeling van curricula” omvatten, worden geacht ook opleiding te omvatten voor het academisch personeel en aanverwante kwesties zoals kwaliteitsborging en de inzetbaarheid van de afgestudeerden aan te pakken via relaties met de arbeidsmarkt. De studieprogramma’s moeten officieel geaccrediteerd zijn en/of over een vergunning beschikken voor het einde van de financieringstermijn van het project. Gedurende de looptijd van het project moet worden gestart met het doceren van nieuwe of herziene cursussen; bijgeschoold personeel moet deze cursussen aan een toereikend aantal studenten doceren gedurende ten minste een derde van de looptijd van het project. Opleidingen die plaatsvinden in het kader van hervormingsprojecten kunnen ook gericht zijn op administratief personeel zoals bibliotheek-, laboratorium- en IT-medewerkers. Projecten worden er sterk toe aangemoedigd om in de gemoderniseerde leerplannen stages voor studenten in het bedrijfsleven/de onderneming te verankeren. De duur van de stages moet redelijk zijn om de nodige vaardigheden te kunnen verwerven.
  • Betrokkenheid van studenten: de projecten moeten voorzien in de betrokkenheid van studenten (bv. bij het opstellen van nieuwe studieprogramma’s), en dit niet alleen tijdens de test-/proeffase van het project.
  • Mobiliteit van personeel en studenten: de mobiliteit moet voornamelijk gericht zijn op studenten en op personeel uit niet met het programma geassocieerde derde landen, en bestemd zijn voor: personeel (bv. managers, onderzoek en technologieoverdracht, technisch en administratief personeel) met een officieel contract van de begunstigde instellingen dat bij het project betrokken is; studenten [in een korte cyclus, eerste cyclus (bachelorgraad of gelijkwaardig), tweede cyclus (mastergraad of gelijkwaardig) en derde cyclus (doctoraat)] geregistreerd in een van de begunstigde instellingen. De mobiliteit van studenten binnen en tussen EU-lidstaten en met het programma geassocieerde derde landen komt niet in aanmerking. De mobiliteit moet van een redelijke duur zijn om ervoor te zorgen dat leren en het verwerven van de nodige vaardigheden in overeenstemming met de doelstellingen van het project plaatsvinden. Het is raadzaam fysieke mobiliteit te combineren met virtuele mobiliteit. Hiermee kan fysieke mobiliteit worden voorbereid, ondersteund en opgevolgd. Deze activiteiten maken het ook mogelijk kansarmen of personen met specifieke behoeften aan te spreken en ze te helpen de obstakels die langdurige fysieke mobiliteit in de weg staan, te overwinnen.
  • Kwaliteitsborging moet een integrerend onderdeel zijn van het project om ervoor te zorgen dat projecten voor capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs de beoogde resultaten opleveren en effecten bewerkstelligen die verder gaan dan het partnerschap zelf. In kwaliteitscontrolemaatregelen, met inbegrip van indicatoren en benchmarks, moet worden voorzien om te waarborgen dat het project op kwalitatief hoogstaande wijze en op tijd wordt voltooid en kostenefficiënt is.
  • Partnerschapsovereenkomst: de partners moeten het eens worden over de gedetailleerde uitvoeringsvoorwaarden van het project; deze moeten formeel worden gemaakt door middel van een partnerschapsovereenkomst, die bij aanvang van het project door de partners moet worden ondertekend. Er moet een exemplaar van de partnerschapsovereenkomst worden ingediend bij het Uitvoerend Agentschap binnen zes maanden na ondertekening van de subsidieovereenkomst.
  • Uitrusting: alleen de aankoop van uitrusting die rechtstreeks verband houdt met de doelstellingen van het onderdeel en uiterlijk twaalf maanden voor het einde van het project plaatsvindt, kan worden beschouwd als subsidiabel. Uitrusting is uitsluitend bestemd voor IHO’s van de niet met het programma geassocieerde derde landen die deel uitmaken van het partnerschap, waar zij moet worden geregistreerd in de officiële inventaris van de IHO’s waarvoor zij is aangekocht.
  • Gevolgen en duurzaamheid: projecten voor capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs zullen naar verwachting een structureel langetermijneffect hebben in de in aanmerking komende, niet met het programma geassocieerde derde landen. Met de voorstellen moeten in voorkomend geval de verwachte gevolgen op de drie niveaus (individueel, institutioneel en systemisch) worden aangetoond en moet een methodologie worden ontwikkeld en instrumenten worden aangewezen om die gevolgen te meten.
  • Milieuvriendelijke uitvoering: voor de projecten moeten milieuvriendelijke praktijken in aanmerking worden genomen bij de uitvoering van de bijbehorende activiteiten, met inbegrip van het projectbeheer. Er wordt verwacht dat in het kader van de projecten de individuele vervoersgerelateerde koolstofvoetafdruk van de deelnemers systematisch wordt geregistreerd en berekend.

Wat zijn de financieringsregels?

Deze actie volgt een financieringsmodel op basis van vaste bedragen. Het bedrag van de afzonderlijke vaste bijdrage wordt voor elke subsidie bepaald op basis van het geraamde budget van de door de aanvrager voorgestelde actie. De subsidieautoriteit stelt het vaste bedrag van elke subsidie vast op basis van het voorstel, het evaluatieresultaat, de financieringspercentages en het maximale subsidiebedrag zoals vastgesteld in de oproep.

De EU-subsidie per project bedraagt:

  • Voor onderdeel 1 – Bevorderen van de toegang tot samenwerking in het hoger onderwijs: tussen 200 000 en 400 000 EUR per project
  • Voor onderdeel 2 – Partnerschappen voor de transformatie van het hoger onderwijs: tussen 400 000 en 800 000 EUR per project
  • Voor onderdeel 3 – Projecten voor structurele hervormingen: tussen 800 000 en 1 000 000 EUR per project

Hoe wordt het vaste bedrag voor het project vastgesteld?

Aanvragers moeten overeenkomstig het aanvraagformulier een gedetailleerde begrotingstabel invullen, rekening houdend met de volgende punten:

  1. Het budget moet worden beschreven zoals vereist door de begunstigden en worden onderverdeeld in samenhangende werkpakketten (bijvoorbeeld “projectbeheer”, “opleiding”, “organisatie van evenementen”, “voorbereiding en uitvoering van mobiliteit”, “communicatie en verspreiding”, “kwaliteitsborging”, “uitrusting” enz.);  
  2. In het voorstel moeten de activiteiten/resultaten worden beschreven die elk werkpakket behelst;
  3. Aanvragers moeten in hun voorstel een uitsplitsing geven van de geraamde kosten, met het aandeel per werkpakket (en, binnen elk werkpakket, het aandeel dat aan elke begunstigde en gelieerde entiteit is toegewezen);
  4. De beschreven kosten kunnen personeelskosten, reis- en verblijfkosten, kosten voor uitrusting en uitbesteding of andere kosten zijn (bijvoorbeeld voor de verspreiding van informatie, publicatie of vertaling).

De voorstellen zullen worden geëvalueerd aan de hand van de standaardevaluatieprocedures met de hulp van interne en/of externe deskundigen. De deskundigen beoordelen de kwaliteit van de voorstellen aan de hand van de in de oproep vastgestelde vereisten en de verwachte gevolgen, kwaliteit en efficiëntie van de actie. Het vaste bedrag wordt beperkt tot maximaal 90 % van de geraamde begroting die na de evaluatie wordt vastgesteld, en de subsidieparameters (maximaal subsidiebedrag, financieringspercentage, totale subsidiabele kosten enz.) worden vastgesteld in de subsidieovereenkomst.

De verwezenlijkingen van het project worden geëvalueerd aan de hand van de resultaten van het afgeronde project. Door die financieringsregeling kan meer nadruk worden gelegd op de resultaten dan op de inbreng, waardoor er meer aandacht wordt besteed aan de kwaliteit en de mate waarin meetbare doelstellingen zijn verwezenlijkt.

Nadere gegevens zijn opgenomen in de modelsubsidieovereenkomst die te vinden is op het Funding and Tender Opportunities Portal (FTOP): https://ec.europa.eu/info/funding-tenders/opportunities/portal/screen/home

  • 1 Interregionale projecten moeten betrekking hebben op de prioritaire gebieden van alle betrokken regio’s, hun relevantie voor elke regio aantonen en dit rechtvaardigen door een gedetailleerde analyse van de gemeenschappelijke behoeften en doelstellingen.
  • 2 Zie de definitie van “nieuwkomer” in deel D — Verklarende termenlijst.
  • 3 Deelnemende organisaties moeten een volmacht voor de aanvragende organisatie ondertekenen. De volmachten moeten worden verstrekt bij de aanvraag en zullen worden gecontroleerd op het ogenblik waarop de subsidieovereenkomst wordt ondertekend. Zie deel C van deze gids voor meer informatie.
  • 4 De voorstellen moeten in overeenstemming zijn met de conclusies van de Raad van 16 april 2018 over Syrië. Voorts zal geen financiering worden verstrekt aan derden, zij het entiteiten, individuele personen of groepen die onder beperkende maatregelen van de EU vallen wanneer de oproep wordt gelanceerd. De subsidieontvangers en contractanten moeten er ook voor zorgen dat er geen subcontractanten, natuurlijke personen, met inbegrip van deelnemers van workshops en/of opleidingen en ontvangers van financiële steun aan derden , in de lijsten van beperkende maatregelen van de EU voorkomen.
  • 5 Met uitzondering van landen met een hoog inkomen in de regio’s 5, 7 en 8 (zie deel A van deze gids onder “Begunstigde landen”).
  • 6 Internationale standaardclassificatie van het onderwijs (ISCED 2013), tertiair onderwijs, ten minste niveau 5. Postsecundair niet-tertiair onderwijs ISCED 2011 niveau 4 wordt niet aanvaard.
  • 7 Per regio worden de indicatieve bedragen gepubliceerd op het Funding and Tender Opportunities Portal (FTOP): https://ec.europa.eu/info/funding-tenders/opportunities/portal/screen/home
Tagged in:  Higher education