Skip to main content

Erasmus+

EU programme for education, training, youth and sport
Doorzoek de gids

Deze webpagina geeft nog geen weergave van de inhoud van de programmagids van Erasmus+ 2023.

Maar u kunt de volledige gids voor 2023 in de door u gekozen taal in pdf-formaat downloaden door te klikken op “Download” op de rechterkant van deze pagina.

Toekomstgerichte projecten

Doel van de actie

Na de recente pandemie is er meer dan ooit behoefte aan innovatie in onze onderwijs- en opleidingsstelsels en op het gebied van jeugdzaken. Innovatie in het onderwijs en bij het leren is zowel op individueel niveau als op institutioneel vlak van cruciaal belang. Deze innovatieve benaderingen moeten niet alleen de werknemers van vandaag en morgen van de passende vaardigheden voor snel veranderende arbeidsmarkten voorzien, maar moeten de beroepsbevolking van vandaag en morgen ook de nodige creativiteit en vaardigheden bijbrengen om de steeds complexere maatschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden waarmee we allemaal worden geconfronteerd, zoals klimaatverandering, de bescherming van biodiversiteit, schone energie, volksgezondheid, digitalisering en automatisering, kunstmatige intelligentie, robotica en gegevensanalyse.

Deze actie moet innovatie, creativiteit en participatie en sociaal ondernemerschap op verschillende gebieden van onderwijs en opleiding stimuleren, binnen sectoren of over verschillende sectoren en disciplines heen.

Toekomstgerichte projecten zijn grootschalige projecten die bedoeld zijn om innovatieve (beleids)aanpakken te identificeren, te ontwikkelen, te testen en/of te beoordelen die het potentieel hebben om horizontaal te worden toegepast, om zo de onderwijs- en opleidingsstelsels te verbeteren. Zij zullen toekomstgerichte ideeën ondersteunen die beantwoorden aan de belangrijkste europese prioriteiten en die het potentieel hebben om horizontaal te worden toegepast en om input te leveren om de stelsels voor onderwijs, opleiding en jeugdzaken te verbeteren en om aanzienlijke innovatieve effecten met betrekking tot methoden en praktijken met zich te brengen voor alle leerstijlen en situaties voor actieve participatie met het oog op de sociale samenhang van Europa.

Het doel is transnationale samenwerkingsprojecten te ondersteunen waarmee een samenhangend en alomvattend geheel van sectorale of sectoroverschrijdende activiteiten wordt uitgevoerd die:

  • innovatie stimuleren met betrekking tot reikwijdte, baanbrekende methoden en praktijken; en/of
  • een overdracht van innovatie (naar andere landen, beleidssectoren of doelgroepen) verzekeren en zo op Europees niveau een duurzame benutting van innovatieve projectresultaten en/of de overdraagbaarheid naar andere contexten en doelgroepen waarborgen.

De partnerschappen moeten bestaan uit een mix van publieke en particuliere organisaties die onderzoekers, praktijkmensen en partners combineren met het vermogen om beleidsmakers te bereiken.

Toekomstgerichte projecten moeten daarom worden uitgevoerd door een gemengd partnerschap van organisaties:

  • dat is gebaseerd op excellentie en de nieuwste kennis,
  • dat over innovatiecapaciteit beschikt,
  • dat een systemisch effect kan bewerkstelligen door zijn activiteiten en het potentieel om de beleidsagenda op het gebied van onderwijs en opleiding te sturen.

De ondersteunde projecten zullen erop gericht zijn een systemisch effect op Europees niveau tot stand te brengen door het mogelijk te maken om hun innovatieve resultaten op Europese schaal in te voeren en/of ze over te dragen naar andere thematische of geografische contexten.

Perceel 1: sectoroverschrijdende prioriteiten

Projecten in het kader van perceel 1 kunnen gericht zijn op verschillende onderwijssectoren of onderwijssectoren overbruggen.

De voorstellen die in het kader van perceel 1 worden ingediend moeten gericht zijn op een van de volgende twee prioriteiten, die nader worden beschreven onder “Een project opzetten”:

  • Prioriteit 1: inclusief digitaal onderwijs van hoge kwaliteit ondersteunen, in overeenstemming met het actieplan voor digitaal onderwijs
  • Prioriteit 2:  onderwijs- en opleidingsstelsels ondersteunen om zich aan te passen aan de groene transitie

Perceel 2: beroepsonderwijs en -opleiding

Projecten in het kader van perceel 2 zijn gericht op de sector beroepsonderwijs en -opleiding.

Deze projecten ondersteunen de uitvoering van de beginselen en doelstellingen van het actieplan voor de europese pijler van sociale rechten1 , de europese vaardighedenagenda2 , de aanbeveling van de raad inzake beroepsonderwijs en ‐opleiding voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht3  en de verklaring van osnabrück over beroepsonderwijs en -opleiding4  als katalysator voor herstel en rechtvaardige transities naar digitale en groene economieën.

De voorstellen die in het kader van perceel 2 worden ingediend moeten gericht zijn op een van de volgende drie prioriteiten, die nader worden beschreven onder “Een project opzetten”:

  • Prioriteit 3: Het pact voor vaardigheden ondersteunen;
  • Prioriteit 4: structuren en mechanismen voor toegepast onderzoek op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding;
  • Prioriteit 5: groene vaardigheden in de sector beroepsonderwijs en -opleiding.

Perceel 3: volwasseneneducatie

Deze projecten ondersteunen de uitvoering van de beginselen en doelstellingen van het actieplan voor de europese pijler van sociale rechten5 , de europese vaardighedenagenda6  en de aanbeveling van de raad tot invoering van bijscholingstrajecten7 : nieuwe mogelijkheden voor volwassenen.

Projecten in het kader van perceel 3 zijn gericht op de sector volwasseneneducatie. De voorstellen die in het kader van perceel 3 worden ingediend moeten zijn gericht op prioriteit 6, die nader wordt beschreven onder “Een project opzetten”:

  • Prioriteit 6: bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen

Doelstellingen van de actie

De algemene doelstellingen zijn:

  • innovatieve initiatieven met een sterke invloed op onderwijs- en opleidingshervormingen op specifieke strategische beleidsterreinen;
  • bijdragen aan het versterken van de Europese innovatiecapaciteit door innovatie op het gebied van onderwijs en opleiding te bevorderen;
  • systemische veranderingen tot stand brengen door innovatie te stimuleren in de praktijk en op beleidsniveau;
  • toekomstgericht ideeën ondersteunen die zijn toegespitst op essentiële thema’s en prioriteiten op EU-niveau en die duidelijk kunnen worden geïntegreerd in een of meer sectoren;
  • als volledig innovatieve, baanbrekende onderwijsmethoden en -praktijken en/of overdracht van innovatie: op EU-niveau zorgen voor een duurzame benutting van innovatieve projectresultaten en/of overdraagbaarheid naar verschillende contexten en doelgroepen.

De specifieke doelstellingen zijn:

  • innovatieve benaderingen identificeren, ontwikkelen, testen en/of beoordelen die het potentieel hebben om horizontaal te worden toegepast teneinde de onderwijs- en opleidingsstelsels te verbeteren en het beleid en de praktijken op het gebied van onderwijs en opleiding doeltreffender te maken; 
  • proefacties lanceren om oplossingen voor huidige en toekomstige uitdagingen te testen teneinde een duurzaam, systemisch effect op gang te brengen;
  • transnationale samenwerking en wederzijds leren inzake toekomstgerichte vraagstukken ondersteunen bij de voornaamste belanghebbenden en hen in staat stellen om innovatieve oplossingen te ontwikkelen en de overdracht van die oplossingen naar nieuwe contexten te bevorderen, onder meer via capaciteitsopbouw bij relevante belanghebbenden.

Activiteiten in het kader van toekomstgerichte projecten moeten bijdragen aan:

  • het verbeteren van de kwaliteit, efficiëntie en billijkheid van stelsels voor onderwijs en opleiding;
  • het verbeteren van de effectiviteit van beleid op het gebied van onderwijs en opleiding;
  • het ondersteunen van de EU-kaders en -wetgevingsinitiatieven en van de landenspecifieke aanbevelingen van het Europees semester;
  • meer feiten en inzichten met betrekking tot de doelgroep(en), leer- en onderwijssituaties, en doeltreffende methoden en hulpmiddelen die innovatie op systeemniveau kunnen inspireren en stimuleren;
  • kennis ontwikkelen ter ondersteuning van empirisch onderbouwd beleid;
  • de aanzet geven tot gedragsverschuivingen op EU-niveau.

De belangrijkste activiteiten in het kader van deze prioriteiten kunnen betrekking hebben op (niet-limitatieve opsomming): 

  • onderzoek in het kader van de actie, inventarisatiewerkzaamheden, productie van grootschalige sectorale of sectoroverschrijdende resultaten;
  • transnationale activiteiten voor capaciteitsopbouw, zoals opleiding, het analyseren van beleidscontexten, beleidsonderzoek, institutionele aanpassingen;
  • proefactiviteiten om innovatieve oplossingen te testen;
  • grootschalige transnationale evenementen of netwerkactiviteiten, hetzij sectoraal, hetzij sectoroverschrijdend;
  • benuttingsactiviteiten om de resultaten te verspreiden binnen de onderwijsgemeenschap of -sector;
  • activiteiten van denktanks, het onderzoeken van en experimenteren met innovatieve ideeën.

Voor toekomstgerichte projecten moet waar relevant gebruik worden gemaakt van EU-brede instrumenten en hulpmiddelen.

Projecten moeten het ontwerp omvatten van een actieplan voor de lange termijn (dat langer duurt dan het uit Erasmus+ gefinancierde project) voor de geleidelijke invoering en de horizontale toepassing van de ontwikkelde innovaties, opdat zij effect kunnen sorteren op onderwijs- en opleidingsstelsels in samenwerking met de relevante autoriteiten en instellingen. Zij moeten ook zorgen voor een passende zichtbaarheid en brede verspreiding van de werkzaamheden, onder andere op EU- en nationaal politiek niveau.

Uit de toekomstgerichte projecten zou tevens kunnen blijken hoe de uitvoering van het project kan worden ondersteund door andere EU-financiering (bijvoorbeeld Europese structuurfondsen, het Europees Fonds voor strategische investeringen, de faciliteit voor herstel en veerkracht, het Fonds voor een rechtvaardige transitie) en door nationale en regionale financiering (en particuliere financiering). Daarbij zou rekening kunnen worden gehouden met nationale en regionale slimme-specialisatiestrategieën en -ontwikkelingen in de Europese industriële ecosystemen.

Criteria waaraan moet worden voldaan om een toekomstgericht project aan te vragen

Subsidiabiliteitscriteria

Om in aanmerking te komen voor een Erasmus+-subsidie moeten projectvoorstellen voor toekomstgerichte projecten aan de volgende criteria voldoen:

Wie kan een aanvraag indienen?

Elke volwaardige partner die wettelijk in een eu-lidstaat of een met het programma geassocieerd derde land is gevestigd, kan een subsidie aanvragen. Deze organisatie dient de aanvraag in namens alle deelnemende organisaties die bij het project betrokken zijn.

Welke soorten organisaties komen in aanmerking voor deelname aan het project?

  • De volgende organisaties kunnen als volwaardige partner, gelieerde entiteit of geassocieerde partner worden betrokken: elke publieke of particuliere organisatie die actief is op het gebied van onderwijs en opleiding, die een belangrijke aanjager van innovatie is en gevestigd is in een EU-lidstaat of een met het programma geassocieerd derde land (zie deel A van deze gids onder “Begunstigde landen”).

Voor perceel 1 en perceel 2: Dergelijke organisaties kunnen zijn (niet-limitatieve opsomming):

  • organisaties voor onderwijs en opleiding (bv. aanbieders van onderwijs en opleiding, zoals scholen, instellingen voor hoger onderwijs, aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding en volwasseneneducatie, verenigingen, ngo’s);
  • ondernemingen uit de publieke of particuliere sector die opleiding aanbieden aan hun werknemers of partners in de waardeketen/toeleveringsketen.
  • aanjagers van innovatie en territoriale ontwikkeling (bv. laboratoria voor eco-innovatie, onderzoekscentra, innovatiebureaus, regionale ontwikkelingsautoriteiten, kmo’s, grote ondernemingen);
  • beleidsmakers en overheidsinstanties op nationaal, regionaal en lokaal niveau (bv. ministeries van Innovatie, Onderwijs, Werk, Economie, particuliere en publieke diensten voor arbeidsvoorziening, kwalificatie-autoriteiten enz.);
  • organisaties die sectoroverschrijdende activiteiten verrichten en andere actoren op de arbeidsmarkt (bv. sociale partners, sectorale organisaties, kamers van industrie/koophandel/ambachten en andere intermediaire instanties, handelsorganisaties, maatschappelijke organisaties, sportorganisaties en culturele organisaties, verenigingen van leerkrachten en opleiders, jeugd- en ouderverenigingen, actoren uit de arbeidsmarkt);
  • publieke of particuliere entiteiten die verantwoordelijk zijn voor of een zekere mate van verantwoordelijkheid dragen voor (of invloed hebben op) de organisatie en/of financiering en/of verstrekking van onderwijsdiensten aan volwassenen (bv. beoordeling van vaardigheden, validatie van competenties, onderwijs en opleiding, oriëntatie en begeleiding).
  • nationale, internationale, regionale en sectorale organisaties voor vaardigheidswedstrijden.

Instellingen voor hoger onderwijs die zijn gevestigd in een EU-lidstaat of een met het programma geassocieerde derde land moeten houder zijn van een geldig Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE).

Aantal deelnemende organisaties en profiel daarvan

Voor alle percelen:

  • Het partnerschap moet bestaan uit minimaal drie volwaardige partners uit minstens drie EU-lidstaten en met het programma geassocieerde derde landen (waaronder ten minste twee EU-lidstaten).

Voor perceel 2:

  • Voor ten minste drie van de deelnemende landen moeten de partnerschappen zowel werkgevers (of hun vertegenwoordigers) als onderwijs- en opleidingsorganisaties (of hun vertegenwoordigers) omvatten.

Voor perceel 3:

  • Voor ten minste drie van de deelnemende landen moet het partnerschap publieke of particuliere entiteiten omvatten die verantwoordelijk zijn voor of een hoge mate van verantwoordelijkheid dragen voor (of invloed hebben op) de organisatie en/of financiering en/of verstrekking van onderwijsdiensten aan volwassenen (bv. beoordeling van vaardigheden, validatie van competenties, onderwijs en opleiding, oriëntatie en begeleiding), als volwaardige of geassocieerde partners.

Locatie van de activiteiten

De activiteiten moeten plaatsvinden in EU-lidstaten of met het programma geassocieerde derde landen.

Projectduur

Voor perceel 1 – sectoroverschrijdende prioriteiten, is de duur van het project:

  • 24 tot 48 maanden;

voor perceel 2 en perceel 3 is de duur van het project:

  • 24 maanden.

De duur moet in de aanvraagfase worden gekozen op basis van de doelstelling van het project, het soort geplande activiteiten, het budget en de ambities die voor het project zijn vastgesteld.

Startdatums projecten

De projecten gaan van start op 1 november 2022, 1 december 2022 of 1 januari 2023.

Waar aanvragen?

Bij het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur (EACEA).

Oproep-ID perceel 1: ERASMUS-EDU-2022-PI-FORWARD-LOT1

Oproep-ID perceel 2: ERASMUS-EDU-2022-PI-FORWARD-LOT2

Oproep-ID perceel 3: ERASMUS-EDU-2022-PI-FORWARD-LOT3

Wanneer aanvragen?

Subsidieaanvragen moeten uiterlijk op 15 maart om 17:00:00 uur (Belgische tijd) worden ingediend.

Aanvragende organisaties worden getoetst aan de relevante uitsluitings- en selectiecriteria. Zie deel C van deze gids voor meer informatie.

Een project opzetten

Bij toekomstgerichte projecten moet altijd rekening worden gehouden met de volgende horizontale beleidscontexten:

  1. het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten;
  2. de Green Deal van de Europese Commissie8 , de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN9  en de Verklaring van Parijs inzake klimaatverandering10 ;
  3. de Europese vaardighedenagenda11  – met name actie 1 inzake het pact voor vaardigheden, actie 6 inzake vaardigheden ter ondersteuning van de dubbele transitie, en actie 8 inzake vaardigheden voor het leven.
  4. aanbeveling van de Raad inzake beroepsonderwijs en ‐opleiding voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht12
  5. aanbeveling van de Raad tot invoering van bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen13 .
  6. digitale transformatie in onze onderwijs- en opleidingsstelsels en op het gebied van jeugdzaken, zoals opgenomen in het Actieplan voor digitaal onderwijs 2021-2027 van de Europese Commissie14 ;

Perceel 1: sectoroverschrijdende prioriteiten

De voorstellen die in het kader van perceel 1 worden ingediend moeten gericht zijn op een van de volgende twee prioriteiten:

Prioriteit 1:  inclusief digitaal onderwijs van hoge kwaliteit ondersteunen, in overeenstemming met het actieplan voor digitaal onderwijs

De onderwijs- en opleidingsstelsels ondergaan momenteel een diepgaande digitale transformatie, die wordt aangejaagd door de vooruitgang op het gebied van connectiviteit; het wijdverbreide gebruik van apparaten en digitale toepassingen; de behoefte aan individuele flexibiliteit, de ruimere beschikbaarheid van en de behoefte aan hoogwaardige digitale onderwijsinhoud en de steeds toenemende vraag naar digitale vaardigheden. De COVID-19-pandemie, die grote gevolgen heeft gehad voor onderwijs en opleiding, heeft de verandering versneld en heeft tal van nieuwe leerervaringen en perspectieven opgeleverd. In het actieplan voor digitaal onderwijs 2021-2027 wordt het EU-beleid voor de digitale transformatie van onderwijs en opleiding voor de volgende programmeringsperiode vastgesteld. Het actieplan voor digitaal onderwijs heeft twee strategische prioriteiten:

  • de ontwikkeling van een goed presterend digitaal onderwijsecosysteem ondersteunen (1)
  • de noodzaak om de digitale competenties voor de digitale transformatie te versterken aanpakken (2)

Alle lerenden moeten digitale competenties (kennis, vaardigheden en attitudes) worden bijgebracht om te leven, te werken, te leren en te gedijen in een wereld waarin de rol van digitale technologieën steeds belangrijker wordt. Wanneer zij op soepele en doeltreffende wijze door vormingswerkers wordt ingezet, kan digitale technologie de agenda van inclusief onderwijs en inclusieve opleiding van hoge kwaliteit voor alle lerenden ten volle ondersteunen. Technologie kan een krachtig en aantrekkelijk instrument zijn voor collaboratief en creatief leren. Zij kan lerenden en vormingswerkers helpen om digitale inhoud te vinden, te creëren en te delen. Een doeltreffende planning en ontwikkeling van digitale capaciteit is van vitaal belang voor de onderwijs- en opleidingsstelsels. Dit vereist de ontwikkeling en voortdurende evaluatie en actualisering van digitale strategieën om de technologische leemten in infrastructuur en apparatuur aan te pakken en relevante organisatorische capaciteiten op het gebied van onderwijs te ontwikkelen, met inbegrip van de capaciteit om hybride leer- en onderwijsmethoden (op afstand en ter plaatse) te leveren. In deze context wordt het ook belangrijk onze kennis van en inzicht in opkomende technologieën zoals kunstmatige intelligentie (KI) en de ethische invoering daarvan in het onderwijs te vergroten. Er moet capaciteit worden ontwikkeld om de toegankelijkheid van hulptechnologieën en toegankelijke digitale inhoud te waarborgen en meer in het algemeen ongelijke toegang aan te pakken, bijvoorbeeld om sociaaleconomische redenen of wegens kloven tussen het platteland en de stad. Hoogwaardige digitale onderwijsinhoud, gebruiksvriendelijke instrumenten, diensten met toegevoegde waarde en beveiligde platforms die de privacy waarborgen en ethische normen handhaven, zijn van essentieel belang voor inclusief digitaal onderwijs van hoge kwaliteit.

Naast de twee hierboven beschreven strategische prioriteiten is het actieplan voor digitaal onderwijs bedoeld om doeltreffendere samenwerking op het gebied van digitaal onderwijs en digitale opleiding op EU-niveau te ondersteunen door de oprichting van een europese hub voor digitaal onderwijs. De hub zal sectoroverschrijdende samenwerking bevorderen, goede praktijken inventariseren en uitwisselen en de lidstaten en de onderwijs- en opleidingssector ondersteunen met instrumenten, kaders, richtsnoeren, technische deskundigheid en onderzoek op het gebied van digitaal onderwijs. De hub moet nationale en regionale initiatieven en actoren op het gebied van digitaal onderwijs met elkaar verbinden en nieuwe modellen voor de uitwisseling van digitale onderwijsinhoud ondersteunen, waarbij kwesties als gemeenschappelijke normen, interoperabiliteit, toegankelijkheid en kwaliteitsborging worden aangepakt. De hub moet daarom ook in aanmerking worden genomen in het kader van de hieronder genoemde gebieden.

Toekomstgerichte projecten zullen specifiek gericht zijn op ten minste een van de volgende drie gebieden in het kader van prioriteit 1:

A) belangrijkste succesfactoren voor inclusief en hoogwaardig digitaal onderwijs en digitale opleiding.

Met de projecten:

  • zullen sleutelfactoren of belemmeringen voor doeltreffende en goed presterende digitale onderwijs- en opleidingsecosystemen worden vastgesteld en/of beoordeeld. Deze sleutelfactoren en belemmeringen kunnen systematisch (nationaal/regionaal/lokaal) of op organisatorisch niveau worden aangepakt;
  • zal de wisselwerking tussen deze factoren/belemmeringen worden onderzocht en zullen aanbevelingen worden opgesteld die op organisatorisch en systemisch niveau kunnen worden verspreid en benut;

Opmerking:   naar verwachting zullen factoren zoals de structuur en organisatie van onderwijs- en opleidingsstelsels, nationale leerplanbenaderingen, nationale beoordeling van onderwijsprestaties, opleidingsstrategieën voor leerkrachten/opleiders, infrastructuur en connectiviteit worden onderzocht, maar ook de mogelijkheid van andere verborgen factoren.

B) kunstmatige intelligentie in het onderwijs

Met de projecten:

  • zullen use cases van kunstmatige intelligentie op het gebied van onderwijs en opleiding, waarbij ook rekening wordt gehouden met het effect daarvan op gegevens, privacy, ethiek en EU-waarden, worden vastgesteld, ontwikkeld en uitgeprobeerd;
  • zullen aanbevelingen, toolkits en uitvoeringsrichtsnoeren worden opgesteld over de rol en het gebruik van kunstmatige intelligentie op het gebied van onderwijs en opleiding, die op organisatorisch en systemisch niveau kunnen worden verspreid en benut.

C) Hoogwaardige digitale onderwijsinhoud

Met de projecten:

  • zullen voor de ontwikkeling en goedkeuring van hoogwaardige digitale onderwijsinhoud use cases worden vastgesteld, ontwikkeld en uitgeprobeerd (rekening houdend met de behoefte aan pedagogische engineering, toegankelijkheid, erkenning en meertaligheid, en met de behoefte aan interoperabiliteit, certificering, verificatie en overdraagbaarheid van digitale onderwijsinhoud);
  • zullen aanbevelingen, toolkits en uitvoeringsrichtsnoeren worden opgesteld over de ontwikkeling en goedkeuring van hoogwaardig digitale onderwijsinhoud die op organisatorisch en systemisch niveau kan worden verspreid en benut.

Prioriteit 2:  onderwijs- en opleidingsstelsels ondersteunen om zich aan te passen aan de groene transitie

In de Europese Green Deal wordt benadrukt hoe belangrijk het is de onderwijs- en opleidingssector te mobiliseren om de overgang naar een groener en duurzamer Europa te ondersteunen. Het niveau van collectieve en individuele actie moet worden ondersteund door de ontwikkeling van kennis, vaardigheden en attitudes in verband met duurzaamheid en door lerenden in staat te stellen veranderingen teweeg te brengen. Onderwijs- en opleidingsstelsels en -instellingen kunnen een katalysator zijn om deze verandering te verwezenlijken.

Een van de zes dimensies van de Europese onderwijsruimte15 ​​​​​​​ en het zesde vlaggenschipinitiatief van de Europese vaardighedenagenda16 ​​​​​​​ is specifiek gericht op het ondersteunen van de groene transitie. Daarnaast is de Education for Climate Coalition, die op 10 december 2020 door de Europese Commissie is gelanceerd, gericht op het mobiliseren van expertise, het beschikbaar stellen van hulpmiddelen voor netwerkvorming en de ondersteuning van creatieve benaderingen van klimaatactie en duurzaamheid, waarbij leerkrachten, leerlingen en studenten worden betrokken. De coalitie heeft tot doel om bottom-upinitiatieven en maatregelen op EU-niveau aan elkaar te koppelen en om toezeggingen en concrete maatregelen te ondersteunen om het duurzaamheidsgedrag in de EU te veranderen.

Daarnaast zal de Commissie eind 2021 een aanbeveling van de Raad inzake onderwijs op het gebied van milieuduurzaamheid voorstellen. Doel hiervan is de lidstaten te ondersteunen bij het integreren van duurzaamheid in onderwijs- en opleidingsstelsels en de samenwerking en uitwisseling van ervaringen op Europees niveau op het gebied van leren voor duurzaamheid te stimuleren. De Commissie werkt ook aan de ontwikkeling van een Europees competentiekader om kennis, vaardigheden en attitudes op het gebied van duurzaamheid te helpen ontwikkelen en beoordelen.

Al deze maatregelen zijn erop gericht mensen te helpen kennis, vaardigheden, waarden en attitudes te verwerven die nodig zijn om te leven in een duurzame en hulpbronnenefficiënte economie en samenleving en deze te ontwikkelen en te ondersteunen.

Toekomstgerichte projecten zullen gericht zijn op ten minste een van de volgende drie gebieden in het kader van prioriteit 2:

A) Een institutiebrede aanpak van duurzaamheid bevorderen

De projecten zijn gericht op:

  • het ontwerpen, uitvoeren en monitoren van institutiebrede duurzaamheidsplannen, onder andere door het gebruik van zelfbeoordelingsinstrumenten; 
  • het ondersteunen van onderwijsleiders (bv. door middel van professionele ontwikkeling, regelingen voor mentorschap, netwerkinitiatieven) om duurzaamheid te integreren in alle aspecten van de activiteiten van de instellingen;
  • het ondersteunen van de betrokkenheid van studenten en personeel bij duurzaamheidsinitiatieven, bv. via duurzaamheidskampioenen/-ambassadeurs, het ontwikkelen van banden met lokale gemeenschappen en andere partners buiten de onderwijsinstelling;
  • het ontwerpen, uitvoeren en monitoren van benaderingen in verband met duurzame activiteiten op de school/campus, bv. energie- en waterverbruik; mobiliteit en vervoer; de vergroening van de onderwijs- en leeromgeving en de infrastructuur.

B) De vaardigheden en competenties van lerenden en vormingswerkers in verband met duurzaamheid ontwikkelen

De projecten zijn gericht op:

  • het ontwerpen, uitvoeren en monitoren van innovatieve benaderingen van onderwijs en opleiding op het gebied van duurzaamheid, waaronder het doeltreffende gebruik van digitale technologieën ter ondersteuning van leren voor duurzaamheid;
  • het opbouwen van de capaciteit van vormingswerkers (leerkrachten, opleiders en al het onderwijzend personeel) om duurzaamheid te integreren door middel van professionele ontwikkeling, waaronder het ondersteunen van vormingswerkers met innovatieve onderwijspraktijken en het overbruggen van vakken in verschillende disciplines;
  • het met elkaar verbinden van verschillende onderwijssectoren voor de ontwikkeling van duurzaamheidscompetenties, met inbegrip van formeel en niet-formeel onderwijs; 
  • bewustmakingsactiviteiten, waaronder activiteiten gericht op de bestrijding van desinformatie (bv. in verband met groenwassen) en het bevorderen van kritisch denken door bijvoorbeeld praktisch leren in “makersruimten” en/of “STEAM”-leerbenaderingen;

C) Burgers in staat stellen invloed uit te oefenen op duurzaamheid, het milieu en klimaatverandering, onder andere in het kader van de nieuwe Education for Climate Coalition

De projecten zijn gericht op:

  • het opstellen van concrete en reproduceerbare “klimaatactieplannen” op lokaal niveau, waarbij lerenden, leerkrachten, opleiders, onderwijsleiders, lokale bedrijven, musea, kunst- en wetenschapsinstellingen en sportcentra worden betrokken;
  • het opzetten van projectgebaseerd, experimenteel leren onder leiding van scholen met ouders, lokale bedrijven en de bredere gemeenschap, bijvoorbeeld: gezonde voeding bevorderen; scholen promoten als groene, duurzame, interactieve gebouwen, in overeenstemming met de prioriteiten van het Nieuw Europees Bauhaus; kruisbestuiving bevorderen tussen groene scholen, als fysieke structuren, en alle andere elementen van een leeromgeving, zoals innovatieve pedagogische methoden, projectgebaseerd leren en teams van leerkrachten met verschillende vakken;
  • het ondersteunen van innovatieve partnerschappen tussen formeel onderwijs (bv. scholen, instellingen voor hoger onderwijs enz.) en niet-formele actoren (bv. ngo’s, milieucentra, bibliotheken, musea enz.).

Aanvragen kunnen gericht zijn op een of meer onderwijssectoren, van voor- en vroegschoolse educatie en opvang tot volwasseneneducatie en formeel, niet-formeel en informeel onderwijs. Aanvragen die betrekking hebben op meer dan één gebied binnen een prioriteit krijgen tijdens de evaluatie geen extra punten.

Perceel 2: beroepsonderwijs en -opleiding

De voorstellen die in het kader van perceel 2 worden ingediend moeten gericht zijn op een van de volgende drie prioriteiten: 

Prioriteit 3: het pact voor vaardigheden ondersteunen

Het pact voor vaardigheden is het eerste vlaggenschipinitiatief van de Europese vaardighedenagenda 2020. Het is een nieuw engagementsmodel om uitdagingen op het gebied van vaardigheden aan te pakken en resultaten te boeken op het pad van herstel, de industriële strategie van de EU en de groene en digitale transities. Het pact mobiliseert en stimuleert alle relevante belanghebbenden om concrete maatregelen te nemen voor de bij- en omscholing van mensen in de werkende leeftijd, met name door de inspanningen in brede partnerschappen te bundelen. Het pact is stevig verankerd in de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten en ondersteunt de doelstellingen van de Europese Green Deal en de digitale transformatie, zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie “Een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities”17 .

Het pact is onder meer gericht op het mobiliseren en stimuleren van grote ondernemingen, in samenwerking met andere belanghebbenden, om (in het kader van bijscholing en omscholing) micro-, kleine en middelgrote ondernemingen te ondersteunen.

Deze prioriteit heeft tot doel instrumenten of structuren te identificeren, te testen, te ontwikkelen of te beoordelen die zijn gericht op tussenhandel en het opbouwen van samenwerking tussen grote ondernemingen en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) in een waardeketen in hetzelfde industriële ecosysteem18 , waarbij andere actoren zijn betrokken die relevant zijn voor bij- en omscholing. Deze samenwerking moet gericht zijn op de bij- en omscholing van mensen in de werkende leeftijd in een bepaalde waardeketen of een industrieel ecosysteem. De projecten zouden ook de basis kunnen leggen voor grootschalige partnerschappen op het gebied van vaardigheden in industriële ecosystemen.

De instrumenten of structuren moeten horizontaal kunnen worden toegepast en bijdragen leveren aan de verbetering van onderwijs- en opleidingsstelsels en aan andere mogelijkheden voor het anticiperen op en ontwikkelen en valideren van vaardigheden. Bij het project moeten relevante belanghebbenden worden betrokken, zoals aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding, instellingen voor hoger onderwijs, openbare en particuliere diensten voor arbeidsvoorziening, innovatiehubs, sociale partners, bedrijven en overheidsinstanties.

De samenwerkingsinstrumenten of -structuren moeten de kwaliteit, efficiëntie en rechtvaardigheid van bij- en omscholingsmogelijkheden voor mensen in de werkende leeftijd verbeteren en deze aanpassen aan de veranderende taken in micro-, kleine en middelgrote ondernemingen.

De instrumenten of structuren kunnen samenwerking met overheidsinstanties (bv. regionale of nationale), aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding, sociale partners en andere belanghebbenden omvatten om de duurzaamheid van de oplossingen te verbeteren en het effect op de onderwijs- en opleidingsstelsels te vergroten.

Prioriteit 4: structuren en mechanismen voor toegepast onderzoek op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding

Toegepast onderzoek wordt gewoonlijk gedefinieerd als 19  oorspronkelijk onderzoek dat wordt uitgevoerd om nieuwe kennis te verwerven. Het is in de eerste plaats gericht op een specifiek, praktisch doel of een specifieke, praktische doelstelling. De resultaten van toegepast onderzoek zijn hoofdzakelijk bedoeld om geldig te zijn voor mogelijke toepassingen op producten, activiteiten, methoden of systemen. Toegepast onderzoek geeft praktische vorm aan ideeën. Het hangt nauw samen met het concept van “experimentele ontwikkeling”, dat wordt gedefinieerd als systematisch werk, waarbij wordt voortgebouwd op de kennis die is opgedaan bij onderzoek en praktische ervaring en waarbij aanvullende kennis wordt geproduceerd die gericht is op de productie van nieuwe producten of processen of op de verbetering van bestaande producten of processen.

Toegepast onderzoek is sterk gericht op het oplossen van concrete problemen in de industrie. Een onderscheidend kenmerk van toegepast onderzoek op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding is het potentieel van de sector om onderzoek en innovatie bijeen te brengen, met als tweeledig doel inzicht te krijgen in de problemen van de industrie en veranderingen op de werkplek teweeg te brengen. De vaardigheden die vereist zijn om kennis te creëren en te verspreiden overlappen elkaar. Beide vragen om onderzoek, reflectie, communicatie en samenwerking.

Een ander kenmerk van toegepast onderzoek op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding is het nauwe verband tussen onderzoek en inspanningen om de onderwijsmethoden voor beroepsonderwijs en -opleiding te verbeteren. Deze inspanningen kunnen leiden tot innovatief denken, nieuwe onderwijsmethoden en opleidingsproducten, en uiteindelijk tot meer creatieve afgestudeerden20 .

In de aanbeveling van de Raad inzake beroepsonderwijs en ‐opleiding voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht wordt opgeroepen tot de oprichting van kenniscentra voor beroepsonderwijs die fungeren “als katalysatoren voor lokale bedrijfsinvesteringen, de ondersteuning van het herstel, van de groene en de digitale transitie, Europese en regionale innovatie en strategieën voor slimme specialisatie, de ontwikkeling van beroepsonderwijs en ‐opleiding, ook op hogere kwalificatieniveaus (EKK-niveaus 5‐8) naargelang de nationale context, en bieden innovatieve diensten zoals clusters en centra voor startende ondernemingen en technologische innovatie voor kmo’s, alsook innovatieve omscholingsoplossingen…”;

De kenniscentra voor beroepsonderwijs en -opleiding zijn in het kader van hun belangrijkste activiteiten gericht op:

  • samenwerken met lokale kmo’s via innovatiehubs, technologiecentra, projecten voor prototypeontwikkeling en toegepast onderzoek, samen met lerenden en personeel op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding;
  • bijdragen tot het creëren en verspreiden van nieuwe kennis in partnerschap met andere belanghebbenden, bv. door middel van open innovatie, gezamenlijk onderzoek en ontwikkeling (O&O) met universiteiten, bedrijven en andere onderzoeksinstellingen enz.

In de Verklaring van Osnabrück over beroepsonderwijs en -opleiding als katalysator voor herstel en rechtvaardige transities naar digitale en groene economieën21 ​​​​​​​ wordt opgeroepen tot steun op EU-niveau om “kenniscentra voor beroepsopleiding te ontwikkelen en te versterken als innovatieve starterscentra en ecosystemen voor vaardigheden die onderwijs-, opleidings- en onderzoeksactiviteiten omvatten ...”.

Toegepast onderzoek heeft in veel landen geleid tot de bevordering van innovatie in bedrijven, met name in micro- en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), en tot voortdurende verbetering en innovatie in onderwijs- en opleidingspraktijken voor beroepsonderwijs en -opleiding. Door actief betrokken te zijn bij toegepast onderzoek met lokale bedrijven worden aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding medescheppers van lokale ecosystemen voor innovatie. Dat doen zij door bij te dragen tot de productie van nieuwe en verbeterde producten, diensten en processen, maar ook door gekwalificeerde, innovatieve en ondernemende afgestudeerden van beroepsonderwijs en -opleiding te leveren.

Met de projecten:

  • zullen structuren en mechanismen voor toegepast onderzoek op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding worden vastgesteld, beoordeeld, getest en ontwikkeld om meer betrokken te zijn bij O&O- en innovatiesystemen;
  • zal de capaciteit van de stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding worden opgebouwd met nauwe betrokkenheid van leerkrachten en opleiders, alsook lerenden in beroepsonderwijs en -opleiding, om toegepast onderzoek te verrichten en innovatieprojecten te beheren samen met andere organisaties, met name kmo’s;
  • zal op basis van de ervaring en resultaten ervan een (operationeel en financieel) referentiekader worden voorgesteld dat is gericht op de horizontale toepassing van toegepast onderzoek en experimentele ontwikkeling bij het aanbieden van beroepsonderwijs en -opleiding, waarbij gebruik wordt gemaakt van zowel particuliere als publieke (op nationaal en EU-niveau) financieringsinstrumenten.

De resultaten van deze projecten moeten het potentieel hebben om horizontaal te worden toegepast en bij te dragen tot de modernisering van de stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding en de betrokkenheid ervan bij toegepast onderzoek en experimentele ontwikkeling, waarbij lerenden tegelijkertijd kansen worden geboden voor probleem-/projectgebaseerd leren.

Prioriteit 5: groene vaardigheden in de sector beroepsonderwijs en -opleiding

De Europese Green Deal is de nieuwe groeistrategie van Europa die erop gericht is zijn economie en samenleving te transformeren en op een duurzamer pad te brengen. Zoals bepaald in actie 6 van de Europese vaardighedenagenda zal de Commissie de verwerving van vaardigheden voor de groene transitie ondersteunen.

Een rechtvaardige en succesvolle groene transitie vereist investeringen in de vaardigheden van mensen om het aantal professionals te vergroten die i) groene technologieën bouwen en beheersen, waaronder digitale technologieën, ii) groene producten, diensten en bedrijfsmodellen ontwikkelen, iii) innovatieve op de natuur gebaseerde oplossingen creëren en iv) de ecologische voetafdruk van activiteiten helpen minimaliseren. Het vereist ook omscholing en bijscholing van de beroepsbevolking om transities en mobiliteit op de arbeidsmarkt te begeleiden. Dit is noodzakelijk omdat de schepping van banen en het verlies van banen niet noodzakelijkerwijs in dezelfde sectoren zullen plaatsvinden en de taakprofielen en de vaardigheidseisen in de gehele economie ingrijpend zullen veranderen. Bovendien zal Europa alleen een klimaatneutraal continent, een hulpbronnenefficiënte samenleving en een circulaire economie worden met een geïnformeerde bevolking en beroepsbevolking die begrijpt hoe ze groen moet denken en handelen.

Instellingen voor beroepsonderwijs en -opleiding bevinden zich in een goede positie om de vaardigheden aan te reiken die nodig zijn voor een succesvolle groene transitie, zowel via initiële als voortgezette programma’s voor beroepsonderwijs en -opleiding. De aanbeveling van de Raad inzake beroepsonderwijs en ‐opleiding voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht heeft ook tot doel beroepsonderwijs en -opleiding tot een aanjager voor innovatie en groei te maken om mensen voor te bereiden met de vaardigheden voor de digitale en groene transities en beroepen waar veel vraag naar is. Dit omvat een uitbreiding van het opleidingsaanbod ter bevordering van de verwerving van ondernemersvaardigheden, digitale en groene vaardigheden.

In de Verklaring van Osnabrück over beroepsonderwijs en -opleiding als katalysator voor herstel en rechtvaardige transities naar digitale en groene economieën wordt opgeroepen tot:

  • het bevorderen van initiatieven ter ondersteuning van samenwerking en het delen van kennis tussen instellingen voor en aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding op het gebied van leermethoden, curricula, richtsnoeren, werkplekleren en kwaliteitsborging van het onderwijs- en opleidingsaanbod inzake groene vaardigheden, door gebruik te maken van Europese programma’s zoals Erasmus+;
  • het definiëren van voor de arbeidsmarkt relevante vaardigheden voor de groene transitie die in de curricula en het aanbod van beroepsonderwijs en -opleiding moeten worden opgenomen, met inbegrip van basisvaardigheden in alle sectoren en beroepen en sectorspecifieke vaardigheden, in samenwerking met de sociale partners.

De projecten zullen gericht zijn op de volgende twee gebieden in het kader van prioriteit 5:

A) Pakket groene basisvaardigheden voor de arbeidsmarkt

  • Het ontwikkelen van een pakket groene basisvaardigheden voor de arbeidsmarkt in verschillende economische sectoren om opleidingen te sturen met het oog op het creëren van een generatie klimaat-, milieu- en gezondheidsbewuste deskundigen en groene economische actoren.

B) Integratie van dit pakket in beroepsonderwijs en -opleiding

  • De projecten zullen bijdragen tot de integratie van dit pakket groene basisvaardigheden in de curricula voor beroepsonderwijs en -opleiding.
  • De projecten zullen ook bijdragen tot de integratie van dit pakket in de opleiding van leerkrachten, opleiders en ander personeel dat zich bezighoudt met initiële en voortgezette professionele ontwikkeling.

Perceel 3: volwasseneneducatie

De voorstellen die in het kader van perceel 3 worden ingediend moeten gericht zijn op de volgende prioriteit: 

Prioriteit 6: bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen

Bijscholingstrajecten zoals gedefinieerd in de aanbeveling van de Raad “tot invoering van bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen”22 ​​​​​​​, zijn gericht op volwassenen met geringe vaardigheden, kennis en competenties die hoogstens lager middelbaar onderwijs hebben afgerond. De aanbeveling heeft tot doel volwassenen flexibele mogelijkheden te bieden om hun lees- en schrijfvaardigheid, reken- en digitale competenties te verbeteren (waaronder hun vermogen om digitale technologieën te gebruiken) en om vooruitgang te boeken in de richting van hogere kwalificatieniveaus die van belang zijn voor de arbeidsmarkt en voor actieve deelname aan de samenleving.

Bijscholingstrajecten dragen ertoe bij dat iedereen recht heeft op hoogwaardig en inclusief onderwijs, opleiding en een leven lang leren, zoals bepaald in beginsel 1 van de Europese pijler van sociale rechten.

Bijscholingstrajecten bestaan uit drie stappen:

  1. het beoordelen van vaardigheden (d.w.z. identificatie of screening van vaardigheden);
  2. het aanbieden van een op maat gesneden, flexibel en kwalitatief hoogwaardig leeraanbod, en
  3. het valideren en erkennen van de verworven vaardigheden.

De projecten zullen via de voorgestelde acties de uitvoering ondersteunen van de aanbeveling van de Raad tot invoering van bijscholingstrajecten, van het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten en van de Europese vaardighedenagenda (actie 8 “Vaardigheden voor het leven”).

Met de projecten:

  • bijdragen tot het vergroten van het aanbod van bijscholingsmogelijkheden en het gebruik daarvan door laaggeschoolde volwassenen;
  • bijdragen tot de praktische en geïntegreerde uitvoering van de stappen van bijscholingstrajecten, ondersteund door voorlichtings- en begeleidingsmaatregelen;
  • bijdragen tot meer samenhang tussen de bestaande maatregelen voor laaggeschoolde volwassenen;
  • ervoor zorgen dat alle relevante actoren worden gemobiliseerd en betrokken bij de uitvoering van de aanbeveling inzake bijscholingstrajecten.

Er moet worden gezorgd voor een aanpak van het partnerschap die een doeltreffende coördinatie en een langdurige samenwerking bevordert tussen de belanghebbenden die betrokken zijn bij de planning, uitvoering en monitoring van bijscholingstrajecten.

De projecten omvatten een plan voor de uitrol van de uitkomsten/resultaten ervan in de deelnemende landen en bevatten voorstellen voor de verdere ontwikkeling van op maat gesneden steun en leren voor deze specifieke doelgroep.

Bij bijscholingstrajecten kunnen de volgende actoren betrokken zijn: nationale, regionale of lokale entiteiten die betrokken zijn bij de planning, organisatie of bevordering van volwasseneneducatie, werkgeversorganisaties, werkgevers, vakbonden, kamers van industrie, koophandel en ambachten, diensten voor arbeidsvoorziening, aanbieders van onderwijs en opleiding, intermediaire en sectorale organisaties, maatschappelijke organisaties, lokale en regionale economische actoren, bibliotheken en gemeenschapsdiensten.

Verwachte gevolgen

Toekomstgerichte projecten moeten innovatieve oplossingen bieden die horizontaal kunnen worden toegepast op regionaal, nationaal en Europees niveau en die idealiter verder kunnen worden ontwikkeld met EU-financiering, of via nationale en regionale ondersteuning.

De vastgestelde prioriteiten, te weten het versterken van de innovatiecapaciteit van Europa, het tot stand brengen van een sterk effect op hervormingen van onderwijs en opleiding alsook het in gang zetten van systemische veranderingen, moeten correct worden aangepakt in de bottom-uppraktijken.

Via de brede verspreiding van projectresultaten op transnationaal, nationaal en/of regionaal niveau, en rekening houdend met Europese industriële ecosystemen en nationale en regionale slimme-specialisatiestrategieën, zullen toekomstgerichte projecten naar verwachting een louterend effect hebben op systeemniveau om onderwijs- en opleidingsstelsels beter te helpen reageren op de uitdagingen van een snel veranderende wereld.

Toekenningscriteria

Relevantie van het project - (maximaal 30 punten/minimumdrempel 15 punten)

  • Link naar eu-beleid en -initiatieven: in het voorstel wordt een project opgezet en ontwikkeld dat een toekomstgericht idee op EU-niveau ondersteunt, rekening houdend met de bestaande EU-instrumenten en -initiatieven, die tevens moeten worden bevorderd (indien van toepassing). Het voorstel ondersteunt bovendien de uitvoering van EU-beleid (bv. de Europese vaardighedenagenda), EU-kaders en -wetgevingsinitiatieven, zoals de landenspecifieke aanbevelingen van het Europees semester;
  • Doel: het voorstel is relevant voor de doelstelling van de actie en voor de algemene en specifieke doelstellingen van de actie (zie punt “Doelstellingen van de actie” hierboven);
  • Toepassingsgebied: Het voorstel is gericht op een van de zes prioriteiten van de actie (zie punt “Opzetten van een project” hierboven);
  • Innovatie: het voorstel houdt rekening met de modernste methoden en technieken, en leidt tot innovatieve resultaten en oplossingen die horizontaal kunnen worden toegepast in een of meerdere economische of onderwijssectoren;
  • Samenhang: de doelstellingen berusten op een gedegen behoefteanalyse; ze zijn duidelijk afgebakend en realistisch van opzet, en pakken kwesties aan die van belang zijn voor de deelnemende organisaties en voor de actie;
  • Europese meerwaarde: uit het voorstel blijkt duidelijk voor welke meerwaarde het transnationale karakter en de potentiële overdraagbaarheid kunnen zorgen op systemisch EU-niveau;
  • Afhankelijk van de beoogde prioriteit:
    • Prioriteit 1 — Digitaal onderwijs en digitale vaardigheden: de mate waarin in het voorstel consequent activiteiten, onderzoek en evenementen worden gepland en opgenomen die duidelijk bijdragen aan de digitale transformatie;
    • Prioriteit 2 — Groen onderwijs en groene vaardigheden: de mate waarin in het voorstel consequent activiteiten, onderzoek en evenementen worden gepland en opgenomen die de transitie naar een circulaire, groenere economie stimuleren en zo bijdragen aan de Green Deal van de Commissie, de Klimaatovereenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen;
    • Prioriteit 3 — Pact voor vaardigheden: de mate waarin in het voorstel consequent activiteiten, onderzoek alsook instrumenten en structuren worden gepland en opgenomen die de ontwikkeling van vaardigheden in waardeketens in een industrieel ecosysteem versterken;
    • Prioriteit 4 — Toegepast onderzoek op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding: de mate waarin in het voorstel een samenhangend plan wordt ontwikkeld voor het opzetten van structuren en mechanismen voor toegepast onderzoek op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding, dat bedoeld is om in te werken op het onderwijs- en leerproces en dit ten goede te komen en tegelijkertijd tegemoet te komen aan de behoeften van externe organisaties op het gebied van innovatie en ontwikkeling;
    • Prioriteit 5 — Groene vaardigheden in de sector beroepsonderwijs en -opleiding: de mate waarin in het voorstel een zinvolle reeks groene basisvaardigheden wordt ontwikkeld en getoond wordt hoe deze reeks groene basisvaardigheden kan worden opgenomen in de curricula voor beroepsonderwijs en -opleiding, alsook voor de opleiding van leerkrachten, opleiders en ander personeel;
    • Prioriteit 6 — Bijscholingstrajecten: de mate waarin het voorstel bijdraagt tot de praktische en geïntegreerde uitvoering van de stappen van bijscholingstrajecten, ondersteund door voorlichtings- en begeleidingsmaatregelen.
  • Situatie na de pandemie: de mate waarin het voorstel maatregelen omvat die nieuw beleid en nieuwe praktijken op systeemniveau stimuleren om de nieuwe uitdagingen van de recente pandemie het hoofd te bieden.

Kwaliteit van projectontwerp en –uitvoering - (maximaal 30 punten/minimumdrempel 15 punten)

  • Samenhang: de opzet van het gehele project garandeert de onderlinge afstemming tussen projectdoelstellingen, methodologie, activiteiten, duur en het voorgestelde budget. het voorstel vormt een samenhangend en alomvattend geheel van passende activiteiten om te voorzien in de onderkende behoeften en om de verwachte resultaten te bewerkstelligen;
  • Opzet: het werkprogramma is duidelijk en inzichtelijk (en bestrijkt alle fasen:  voorbereiding, uitvoering, toezicht, evaluatie, verspreiding en benutting). Het omvat een analyse vooraf en achteraf (beide binnen de looptijd van het project) van de geïntroduceerde innovatie in het onderwijs;
  • Methodologie: de kwaliteit en haalbaarheid van de voorgestelde methode en de geschiktheid ervan om de verwachte resultaten te bereiken, met gebruikmaking van EU-instrumenten, voor zover relevant voor het project;
  • Beheer: er wordt gezorgd voor goed onderbouwde beheersystemen. Tijdschema’s, organisatie, taken en verantwoordelijkheden zijn nauwkeurig omschreven en realistisch. Het voorstel wijst geschikte middelen toe aan elke activiteit;
  • Verbetering van de kwaliteit en doeltreffendheid: met het voorstel wordt innovatie duidelijk verweven in activiteiten en resultaten die de kwaliteit, efficiëntie en billijkheid van stelsels voor onderwijs en opleiding ten goede komen;
  • Budget: in het budget worden de nodige middelen uitgetrokken om het project met succes te voltooien; het budget wordt noch te hoog, noch te laag aangeslagen;
  • Financieel toezicht en kwaliteitscontrole: controlemaatregelen (doorlopende kwaliteitsbeoordeling en opleiding, intercollegiale toetsing, benchmarking enzovoort) en kwaliteitsindicatoren zorgen ervoor dat het project op kwalitatief hoogstaande en kostenefficiënte wijze wordt uitgevoerd. Projectgerelateerde uitdagingen/risico’s worden duidelijk in kaart gebracht en waar nodig wordt gezorgd voor risicobeperkende maatregelen. Deskundige toetsingsprocessen zijn gepland als integraal onderdeel van het project. Het werkprogramma bevat een onafhankelijke externe kwaliteitsbeoordeling die halverwege en een paar maanden voor het einde van het project wordt ingediend om mogelijke aanpassingen van het project mogelijk te maken.

Kwaliteit van het partnerschap en de samenwerkingsregelingen - (maximaal 20 punten/minimumdrempel 10 punten)

  • Samenstelling: het partnerschap wordt samengesteld in overeenstemming met de actie- en projectdoelstellingen. Het is op passende wijze samengesteld uit relevante organisaties die beschikken over de vereiste profielen, vaardigheden, ervaring en deskundigheid alsook over de managementondersteuning die nodig is om het gehele project tot een goed einde te brengen. Het voorstel omvat partners die de betrokken sectorale of sectoroverschrijdende aanpak adequaat vertegenwoordigen.  Met name, op grond van prioriteit 4, de mate waarin in het kader van het partnerschap tandems van aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding en vertegenwoordigers of verenigingen van bedrijven in elk deelnemend land worden georganiseerd. Met name, op grond van prioriteit 5, de mate waarin in het kader van het partnerschap tandems van aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding en vertegenwoordigers van de arbeidsmarkt in elk deelnemend land worden georganiseerd.
  • Inzet: de partners leveren een wezenlijke, ter zake dienende en complementaire bijdrage. De verantwoordelijkheden en taken zijn ondubbelzinnig en oordeelkundig verdeeld; daarbij wordt duidelijk aangetoond dat de inzet en actieve bijdrage van alle deelnemende organisaties perfect aansluiten op hun specifieke deskundigheid en capaciteit;
  • Taken: de coördinator bezit hoogwaardige management- en coördinatievaardigheden op het gebied van transnationale netwerken en geeft blijk van leiderschapskwaliteiten in een complexe omgeving. Individuele taken worden toegewezen op basis van de specifieke knowhow van elke partner;
  • Samenwerking/teamgeest: er wordt een doeltreffend mechanisme voorgesteld om een efficiënte coördinatie, besluitvorming, communicatie en conflictoplossing te waarborgen tussen de deelnemende organisaties, deelnemers en alle andere belanghebbenden;
  • Geografische dimensie en betrokkenheid van niet met het programma geassocieerde derde landen: het partnerschap omvat relevante partners uit verschillende geografische gebieden en deze geografische samenstelling wordt gemotiveerd.  Voor zover van toepassing levert de betrokkenheid van deelnemende organisaties uit niet met het programma geassocieerde derde landen essentiële meerwaarde op voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het toekomstgerichte project.

Effect, verspreiding en duurzaamheid - (maximaal 20 punten/minimumdrempel 10 punten)

  • Benutting: het voorstel toont aan hoe de resultaten van het project op systeemniveau zullen worden geïntegreerd in een of meerdere sectoren. Er wordt gezorgd voor middelen om de benutting te meten tijdens en na afloop van het project;
  • Verspreiding: het voorstel bevat een duidelijk plan voor de verspreiding van resultaten, en voorziet in passende streefdoelen, activiteiten, een relevante timing, instrumenten, hulpmiddelen en communicatiekanalen om ervoor te zorgen dat de resultaten en voordelen efficiënt worden verspreid onder de juiste belanghebbenden, beleidsmakers en aanjagers van innovatie, gedurende de looptijd van het project, maar ook daarna. In het voorstel wordt voorts aangegeven welke partners verantwoordelijk zullen zijn voor de verspreiding en wordt de relevante ervaring die zij met verspreidingsactiviteiten hebben, aangetoond. Bij de verspreiding wordt ook rekening gehouden met nationale en regionale slimme-specialisatiestrategieën om maximaal effect te sorteren op deze niveaus; open toegang: als algemene regel en binnen de grenzen van de bestaande nationale en Europese rechtskaders geldt dat resultaten beschikbaar moeten worden gesteld als open leermiddelen alsook op relevante platforms van beroepsverenigingen, sectorverenigingen of bevoegde autoriteiten. In het voorstel wordt beschreven hoe geproduceerde gegevens, materiaal, documenten en audiovisuele en sociale media-activiteiten vrij toegankelijk worden gemaakt en gepromoot onder open licenties zonder dat er onevenredige beperkingen worden opgelegd;
  • Gevolgen: het voorstel toont de potentiële effecten van het project aan:
    • voor de doelgroepen en de sector(en);
    • voor beleidsmakers op systeemniveau;
    • buiten de beleidsmakers en autoriteiten die rechtstreeks bij het project betrokken zijn, op particuliere of publieke aanjagers van innovatie op lokaal, regionaal, nationaal en/of Europees niveau. Uit het voorstel blijkt het potentieel dat door andere belangrijke belanghebbenden in de sector of daarbuiten in de praktijk moet worden gebracht.

Het voorstel omvat maatregelen, doelstellingen en indicatoren om de voortgang te monitoren en het verwachte effect (korte en lange termijn) te beoordelen;

  • Duurzaamheid: in het voorstel wordt uitgelegd hoe het toekomstgerichte project op verschillende niveaus (lokaal, regionaal, nationaal) zal worden ingevoerd en verder zal worden ontwikkeld. Het voorstel omvat het ontwerp van een actieplan voor de lange termijn voor de geleidelijke invoering van projectresultaten na afloop van het project en voor de horizontale toepassing ervan. Dit plan moet gebaseerd zijn op langdurige partnerschappen op het geëigende niveau tussen beleidsmakers, aanbieders van onderwijs en opleiding en belangrijke belanghebbenden uit het bedrijfsleven. Het moet de vaststelling van passende governancestructuren omvatten, alsook plannen met het oog op schaalbaarheid en financiële duurzaamheid, met inbegrip van de potentiële identificatie van de financiële middelen (Europees, nationaal en particulier) om ervoor te zorgen dat de resultaten en voordelen op lange termijn duurzaam zijn.

De voorstellen moeten een minimumscore van 70 punten (van in totaal 100 punten) behalen om voor financiële steun in aanmerking te komen, rekening houdend met de minimumdrempels voor elk van de vier toekenningscriteria.

Bij een ex aequo tussen voorstellen onder dezelfde prioriteit wordt voorrang gegeven aan de scores die zijn behaald voor het toekenningscriterium “Relevantie” en vervolgens voor “Gevolgen”.

Indien mogelijk zal het evaluatiecomité ernaar streven de prioriteiten op evenwichtige wijze te dekken.

Termijn en indicatief tijdsschema voor evaluatie en subsidieovereenkomsten

Fasen

Datum of periode

Uiterste datum voor indiening van aanvragen

15 maart om 17:00 uur (Belgische tijd)  

Evaluatieperiode

april-juli 2022

Kennisgeving aan de aanvragers

augustus 2022

Ondertekening van de subsidieovereenkomst

oktober-december 2022

Startdatum van de actie 

1/11/2022 of 1/12/2022 of 1/1/2023

Wat zijn de financieringsregels?

Deze actie volgt een financieringsmodel op basis van vaste bedragen. Het bedrag van de afzonderlijke vaste bijdrage wordt voor elke subsidie bepaald op basis van het geraamde budget van de door de aanvrager voorgestelde actie. De subsidieautoriteit stelt het vaste bedrag van elke subsidie vast op basis van het voorstel, het evaluatieresultaat, de financieringspercentages en het maximale subsidiebedrag zoals vastgesteld in de oproep.

De maximale EU-subsidie per project bedraagt:

  • Voor perceel 1 – Sectoroverschrijdende prioriteiten: 800 000 EUR
  • Voor perceel 2 – Beroepsonderwijs en -opleiding: 700 000 EUR
  • Voor perceel 3 – Volwasseneneducatie: 1 000 000 EUR

Het maximale aantal te financieren projecten is:

voor de percelen 1 en 3: er is geen maximum vastgesteld, behalve de budgettaire beperkingen.

Voor perceel 2: er is een indicatief streefcijfer van 7 projecten per prioriteit (voor respectievelijk de prioriteiten 3, 4 en 5).

Hoe wordt het vaste bedrag voor het project vastgesteld?

Aanvragers moeten overeenkomstig het aanvraagformulier een gedetailleerde begrotingstabel invullen, rekening houdend met de volgende punten:

  1. Het budget moet worden beschreven zoals vereist door de begunstigden en worden onderverdeeld in samenhangende werkpakketten (bijvoorbeeld “projectbeheer”, “analyse”, “opleiding”, “organisatie van evenementen”, “implementatie van modellen”, “actieplan voor de lange termijn”, “communicatie en verspreiding”, “kwaliteitsborging” enz.);
  2. In het voorstel moeten de activiteiten worden beschreven die elk werkpakket behelst;
  3. Aanvragers moeten in hun voorstel een uitsplitsing geven van de geraamde kosten, met het aandeel per werkpakket (en, binnen elk werkpakket, het aandeel dat aan elke begunstigde en gelieerde entiteit is toegewezen);
  4. De beschreven kosten kunnen personeelskosten, reis- en verblijfkosten, kosten voor uitrusting en uitbesteding of andere kosten zijn (bijvoorbeeld voor de verspreiding van informatie, publicatie of vertaling).

De voorstellen zullen worden geëvalueerd aan de hand van de standaardevaluatieprocedures met de hulp van interne en/of externe deskundigen. De deskundigen beoordelen de kwaliteit van de voorstellen aan de hand van de in de oproep vastgestelde vereisten en de verwachte gevolgen, kwaliteit en efficiëntie van de actie. Het vaste bedrag wordt beperkt tot een maximum van 80 % van de geraamde begroting, zoals vastgesteld na de evaluatie.

Na de evaluatie van het voorstel stelt de ordonnateur de hoogte van het vaste bedrag vast, rekening houdend met de bevindingen van de verrichte beoordeling.

De subsidieparameters (maximaal subsidiebedrag, financieringspercentage, totale subsidiabele kosten enz.) worden vastgesteld in de subsidieovereenkomst.

De verwezenlijkingen van het project worden geëvalueerd aan de hand van de resultaten van het afgeronde project. Door die financieringsregeling kan meer nadruk worden gelegd op de resultaten dan op de inbreng, waardoor er meer aandacht wordt besteed aan de kwaliteit en de mate waarin meetbare doelstellingen zijn verwezenlijkt.

Nadere gegevens zijn opgenomen in de modelsubsidieovereenkomst die te vinden is op het Funding and Tender Opportunities Portal (FTOP).