Skip to main content

Erasmus+

EU programme for education, training, youth and sport

Deze webpagina geeft nog geen weergave van de inhoud van de programmagids van Erasmus+ 2022. Maar u kunt de volledige gids voor 2022 in de door u gekozen taal in pdf-formaat downloaden door te klikken op “Download” op de rechterkant van deze pagina.

Kenniscentra voor beroepsopleiding

Het initiatief inzake kenniscentra voor beroepsopleiding is een bottom-upbenadering voor toponderzoek waarbij instellingen voor beroepsonderwijs en -opleiding in staat zijn snel de vaardigheden aan te passen aan veranderende economische en sociale behoeften. Het is bedoeld om transnationale samenwerkingsplatforms te stimuleren, die moeilijk zouden kunnen worden opgezet door afzonderlijke lidstaten zonder de stimulansen, technische ondersteuning en wederzijdse leermogelijkheden van de EU.

Het voorgestelde concept van kenniscentra voor beroepsopleiding wordt gekenmerkt door een op de lerende gerichte holistische aanpak waarbij beroepsonderwijs en -opleiding:

  • een integraal deel uitmaakt van ecosystemen voor vaardigheden, dat bijdraagt aan regionale ontwikkeling, innovatie, inclusie en slimme-specialisatiestrategieën;
  • deel uitmaakt van kennisdriehoeken, waarbij nauw wordt samengewerkt met andere onderwijs- en opleidingssectoren, de wetenschappelijke gemeenschap en het bedrijfsleven;
  • lerenden in staat stelt om beroepscompetenties en sleutelcompetenties te verwerven via een hoogwaardig aanbod dat op kwaliteitsborging is gestoeld, innovatieve partnerschapsvormen met de arbeidsmarkt opbouwt en door de voortdurende professionele ontwikkeling van onderwijzend en opleidend personeel, innovatieve en inclusieve onderwijsmethoden, mobiliteit en internationaliseringsstrategieën wordt ondersteund.

Doelstellingen van de actie

Deze actie ondersteunt de geleidelijke opzet en ontwikkeling van Europese platforms van kenniscentra voor beroepsopleiding, die bijdragen aan regionale ontwikkeling, innovatie en slimme-specialisatiestrategieën en aan internationale samenwerkingsplatforms.

Kenniscentra voor beroepsopleiding zijn op twee niveaus actief:

  1. op nationaal niveau in een bepaalde lokale context, door kenniscentra voor beroepsopleiding nauw te integreren in de lokale innovatie-ecosystemen en ze op Europees niveau met elkaar te verbinden;
  2. op transnationaal niveau via platforms van kenniscentra voor beroepsopleiding om referentiepunten van wereldklasse tot stand te brengen op het gebied van beroepsopleiding, door kenniscentra voor beroepsopleiding samen te brengen die:
  • een gedeeld belang hebben in specifieke sectoren (bv. ruimtevaart, e-mobiliteit, groene en circulaire technologieën, ICT, gezondheidszorg enz.); of
  • innovatieve benaderingen delen om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken (bv. klimaatverandering, uitputting en schaarste van hulpbronnen, digitalisering, kunstmatige intelligentie, duurzame ontwikkelingsdoelstellingen, integratie van migranten, het bijspijkeren van de vaardigheden van lageropgeleiden enz.).

De platforms streven naar “opwaartse convergentie” van topkwaliteit op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding. Zij staan open voor landen met goed ontwikkelde stelsels voor excellente vakbekwaamheid en voor landen die werken aan de ontwikkeling van een soortgelijke aanpak die gericht is op het benutten van het volledige potentieel van instellingen voor beroepsonderwijs en -opleiding om een proactieve rol te spelen bij de ondersteuning van groei en innovatie.

Kenniscentra voor beroepsopleiding zijn bedoeld voor organisaties die beroepsonderwijs en -opleiding aanbieden op niveaus 3 tot 8 van het Europees kwalificatiekader, met inbegrip van het hoger secundair niveau, het postsecundair niveau, het niet-tertiair niveau en het tertiair niveau (bv. hogescholen, polytechnische instituten enz.).

Aanvragen mogen echter niet uitsluitend activiteiten omvatten die zijn gericht op lerenden op het tertiaire niveau; aanvragen die gericht zijn op beroepsonderwijs en -opleiding op tertiair niveau (EQF-niveaus 6 tot en met 8) moeten ten minste een ander kwalificatieniveau tussen EQF-niveaus 3 tot en met 5 omvatten, alsook een sterk werkgebaseerde component[1].

Subsidiabiliteitscriteria

Om in aanmerking te komen voor een Erasmus+-subsidie, moeten projectvoorstellen voor kenniscentra voor beroepsopleiding aan de volgende criteria voldoen:

Wie kan een aanvraag indienen?

Elke deelnemende organisatie die rechtmatig in een programmaland gevestigd is, kan een subsidie aanvragen. Deze organisatie dient de aanvraag in namens alle deelnemende organisaties die bij het project betrokken zijn.

Welke soorten organisaties komen in aanmerking voor deelname aan het project?

Elke publieke of particuliere organisatie die actief is op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding of in het beroepsleven en rechtmatig gevestigd is in een programmaland of in een partnerland (zie deel A van deze gids onder “Begunstigde landen”) kan deelnemen als volwaardige partner, gelieerde entiteit of geassocieerde partner.

Voorbeelden van een dergelijke organisatie zijn (niet-limitatieve opsomming):

  • aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding;
  • bedrijven, organisaties die het bedrijfsleven of de sector vertegenwoordigen;
  • nationale/regionale kwalificatie-autoriteiten;
  • onderzoeksinstellingen;
  • innovatie-agentschappen;
  • regionale ontwikkelingsautoriteiten.

Aantal deelnemende organisaties en profiel daarvan

Het partnerschap moet bestaan uit minimaal acht volwaardige partners, uit minstens vier Erasmus+-programmalanden (waaronder ten minste twee EU-lidstaten), waarvan:

a) ten minste 1 onderneming of organisatie die het bedrijfsleven of de sector vertegenwoordigt; en

b) ten minste 1 aanbieder van beroepsonderwijs en -opleiding (op secundair en/of tertiair niveau).

De verdere samenstelling van het partnerschap moet aansluiten op de specifieke aard van het voorstel.

Projectduur

4 jaar.

Waar aanvragen?

Bij het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur (EACEA).

Oproep-ID: ERASMUS-EDU-2021-PEX-COVE.

Wanneer aanvragen?

Subsidieaanvragen moeten uiterlijk op 7 september om 17:00:00 uur (Belgische tijd) worden ingediend.

Aanvragende organisaties worden getoetst aan de relevante uitsluitings- en selectiecriteria. Zie deel C van deze gids voor meer informatie.

Een project opzetten

Typerend voor kenniscentra voor beroepsopleiding is dat zij een systemische benadering hanteren. Zij moeten veel meer doen dan alleen kwaliteitsvolle beroepskwalificaties aanbieden. Transnationale samenwerkingsplatforms worden onder meer gekenmerkt door een reeks activiteiten die gegroepeerd zijn in een van de drie clusters hieronder:

  1. Onderwijzen en leren — met inbegrip van het aanleren van vaardigheden die relevant zijn voor de arbeidsmarkt, binnen een benadering van een leven lang leren; het ontwikkelen van innovatieve, op de lerende gerichte onderwijs- en leermethoden, met inbegrip van hulpmiddelen voor afstandsleren, het ontwikkelen van een modulair, op de lerende gericht transnationaal aanbod van beroepsonderwijs en -opleiding (curricula en/of kwalificaties), om zo de mobiliteit van lerenden en personeel (met inbegrip van de virtuele mobiliteit) en de erkenning op het regionale en/of nationale niveau te vergemakkelijken.
  2. Samenwerking en partnerschappen — met inbegrip van het bijdragen aan de creatie en verspreiding van nieuwe kennis binnen partnerschappen met andere belanghebbenden; en partnerschappen tussen het bedrijfsleven en het onderwijs opzetten voor leerwerkplaatsen, stages, uitwisseling van apparatuur, waaronder hulpmiddelen voor afstandsleren, uitwisselingen van personeel en leerkrachten tussen bedrijven en centra voor beroepsonderwijs en -opleiding enz.
  3. Governance en financiering met inbegrip van het verzekeren van doeltreffende governance op alle niveaus, waarbij relevante belanghebbenden moeten worden betrokken; en de volledige benutting van financieringsinstrumenten en middelen van de EU.

Een niet-limitatieve opsomming van activiteiten die bij elk cluster horen, is te vinden in het aanvraagformulier.

De in de projectaanvraag voorgestelde activiteiten moeten een meerwaarde betekenen en een direct effect hebben op de verwezenlijking van de projectresultaten.

Het project moet relevante beoogde resultaten omvatten die verband houden met:

  • ten minste drie van de op het aanvraagformulier vermelde activiteiten in Cluster 1 — Onderwijzen en leren,
  • ten minste drie van de op het aanvraagformulier vermelde activiteiten in Cluster 2 — Samenwerking en partnerschappen, en
  • ten minste twee van de op het aanvraagformulier vermelde activiteiten in Cluster 3 — Governance en financiering.

De aanvrager kan activiteiten opnemen die niet zijn vermeld in de drie clusters. In dat geval moet worden aangetoond dat de activiteiten bijzonder geschikt zijn om de doelstellingen van de oproep te bereiken en in de vastgestelde behoeften te voorzien, en deze moeten als onderdeel van een samenhangende reeks activiteiten worden beschouwd en voorgesteld.

Kenniscentra voor beroepsopleiding zijn niet bedoeld om vanaf nul nieuwe instellingen en infrastructuur voor beroepsonderwijs en -opleiding op te zetten (hoewel dat ook tot de mogelijkheden behoort), maar brengen in plaats daarvan een reeks lokale/regionale partners samen, zoals aanbieders van initieel en voortgezet beroepsonderwijs en -opleiding, instellingen voor tertiair onderwijs, waaronder universiteiten voor toepaste wetenschappen en polytechnische universiteiten, onderzoeksinstellingen, bedrijven, kamers, sociale partners, nationale en regionale overheden en ontwikkelingsagentschappen, openbare diensten voor arbeidsvoorziening enz.).

Waar relevant moeten bij de projecten EU-brede instrumenten en hulpmiddelen[2] worden toegepast.

Projecten moeten het ontwerp omvatten van een actieplan voor de lange termijn voor de geleidelijke invoering van projectresultaten na afloop van het project. Dit plan moet gebaseerd zijn op langdurige partnerschappen op het geëigende niveau tussen aanbieders van onderwijs en opleiding en belangrijke stakeholders uit het bedrijfsleven. Het moet de vaststelling van passende governancestructuren omvatten, alsook plannen met het oog op schaalbaarheid en financiële duurzaamheid. Daarnaast moet het waarborgen dat het werk van de platforms voldoende zichtbaar is en in brede kring verspreid wordt, ook op Europees en nationaal politiek niveau, en nader specificeren hoe de invoering op Europees, nationaal en/of regionaal niveau gestalte zal krijgen bij de betreffende partners. Uit het actieplan moet tevens blijken hoe de uitrol van het project kan worden ondersteund door EU-financiering (bijvoorbeeld Europese structuurfondsen, Europees Fonds voor strategische investeringen, Erasmus+, Cosme, sectorale programma’s) en door nationale en regionale financiering (en particuliere financiering). Hierbij moeten ook nationale en regionale slimme-specialisatiestrategieën in aanmerking worden genomen;

Verwacht effect

De geleidelijke vaststelling en ontwikkeling van Europese platforms voor kenniscentra voor beroepsopleiding zal beroepsonderwijs en -opleiding naar verwachting aantrekkelijker maken en ervoor zorgen dat het een voortrekkersrol speelt in het aanreiken van oplossingen voor de uitdagingen die de snel veranderende behoeften aan vaardigheden met zich brengen.

Doordat zij een essentieel onderdeel uitmaken van de “kennisdriehoek” — de nauwe samenwerking tussen bedrijven, onderwijs en onderzoek — en een fundamentele rol spelen in het verschaffen van vaardigheden ter ondersteuning van innovatie en slimme specialisatie, zullen de kenniscentra voor beroepsopleiding naar verwachting voor hoogwaardige vaardigheden en competenties zorgen die tot kwaliteitsvolle banen en kansen gedurende de hele loopbaan leiden, die beantwoorden aan de behoeften van een innovatieve, inclusieve en duurzame economie. Deze benadering zal het naar verwachting mogelijk maken dat beroepsonderwijs en -opleiding kan plaatsvinden overeenkomstig een meer omvattende, inclusieve kijk op het verschaffen van vaardigheden, waarin aandacht wordt geschonken aan innovatie, pedagogie, sociale rechtvaardigheid, een leven lang leren, transversale vaardigheden, organisatorisch en voortgezet beroepsleren, en de behoeften van de gemeenschap.

Doordat de kenniscentra voor beroepsopleiding stevig verankerd zijn in de regionale/lokale context, maar tegelijkertijd op transnationaal niveau actief zijn, zullen zij sterke, duurzame partnerschappen smeden tussen de beroepsopleidingswereld en het bedrijfsleven op nationaal niveau en over de grenzen heen. Zo zullen zij verzekeren dat het vaardighedenaanbod relevant blijft en dat resultaten worden verwezenlijkt die moeilijk te bereiken zouden zijn zonder kennisdeling en duurzame samenwerking.

Via de brede verspreiding van projectresultaten op transnationaal, nationaal en/of regionaal niveau en de ontwikkeling van een langetermijnactieplan voor de geleidelijke uitrol van de beoogde projectresultaten, rekening houdend met nationale en regionale slimme-specialisatiestrategieën, moeten individuele projecten relevante belanghebbenden binnen en buiten de deelnemende organisaties bereiken en een duurzaam effect sorteren na afloop van het project.

Toekenningscriteria

De volgende gunningscriteria zijn van toepassing:

Relevantie van het project

(maximaal 35 punten)

  • Verband met het beleid: met het voorstel wordt een transnationaal samenwerkingsplatform van kenniscentra voor beroepsopleiding opgezet en ontwikkeld dat topkwaliteit op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding moet stimuleren; er wordt uitgelegd hoe het zal bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de beleidsprioriteiten in de aanbeveling van de Raad inzake beroepsonderwijs en ‐opleiding voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht[3] en de verklaring van Osnabrück[4];
  • Coherentie: de mate waarin het voorstel berust op een adequate behoefteanalyse; de doelstellingen zijn duidelijk afgebakend en realistisch van opzet, en pakken kwesties aan die van belang zijn voor de deelnemende organisaties en voor de actie;
  • Innovatie: het voorstel houdt rekening met de modernste methoden en technieken, en leidt tot innovatieve resultaten en oplossingen voor het desbetreffende gebied in het algemeen, of voor de geografische context waarin het project wordt uitgevoerd (bv. inhoud, voortgebrachte resultaten, toegepaste werkmethoden, betrokken of beoogde organisaties en personen);
  • Regionale dimensie: het voorstel toont zijn integratie in en bijdrage aan regionale ontwikkeling, innovatie en slimme-specialisatiestrategieën aan, op basis van de vaststelling van de plaatselijke/regionale behoeften en uitdagingen;
  • Samenwerking en partnerschappen: de mate waarin het voorstel geschikt is om een sterke, duurzame relatie op zowel lokaal als transnationaal niveau tot stand te brengen tussen de beroepsopleidingswereld en het bedrijfsleven (mogelijk vertegenwoordigd door kamers of verenigingen), waarin de wisselwerking wederkerig is en deze alle partijen voordeel oplevert;
  • Europese meerwaarde: het voorstel toont duidelijk de meerwaarde op het niveau van het individu (lerende en/of personeel), de instelling en het systeem aan, die tot stand komt via resultaten die door de partners moeilijk te bereiken zouden zijn zonder Europese samenwerking;
  • Internationalisering: het voorstel toont zijn bijdrage aan de internationale dimensie van topkwaliteit op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding aan, onder meer via de ontwikkeling van strategieën om transnationale mobiliteit en duurzame partnerschappen op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding te stimuleren;
  • Digitale vaardigheden: de mate waarin in het voorstel is voorzien in activiteiten die verband houden met de ontwikkeling van digitale vaardigheden (bv. anticiperen op vaardigheden, innovatieve curricula en lesmethoden, begeleiding enz.);
  • Groene vaardigheden: de mate waarin het voorstel activiteiten bevat (bv. anticiperen op vaardigheden, innovatieve curricula en onderwijsmethoden, begeleiding enz.) in verband met de transitie naar een circulaire, groenere economie;
  • Sociale dimensie: het voorstel bevat een horizontaal streven in de verschillende acties naar diversiteit en het bevorderen van gedeelde waarden, gelijkheid, waaronder gendergelijkheid, en non-discriminatie en sociale integratie, ook voor personen met specifieke behoeften/kansarmen.

Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering

(maximaal 25 punten)

  • Samenhang: de opzet van het gehele project garandeert de onderlinge afstemming tussen projectdoelstellingen, activiteiten en het voorgestelde budget. Het voorstel vormt een samenhangend en alomvattend geheel van passende activiteiten en diensten om te voorzien in de onderkende behoeften en om de verwachte resultaten te bewerkstelligen; Er zijn geschikte fasen voor de voorbereiding, uitvoering, controle, benutting, evaluatie en verspreiding;
  • Methodologie: de kwaliteit en haalbaarheid van de voorgestelde methode en de geschiktheid ervan om de verwachte resultaten te bereiken;
  • Beheer: er wordt gezorgd voor goed onderbouwde beheersystemen. Tijdschema’s, organisatie, taken en verantwoordelijkheden zijn nauwkeurig omschreven en realistisch. Het voorstel wijst geschikte middelen toe aan elke activiteit. Er zijn duidelijke kernprestatie-indicatoren en een tijdschema voor de beoordeling en verwezenlijking ervan vastgesteld;
  • Budget: in het budget worden de nodige middelen uitgetrokken om het project met succes te voltooien; het budget wordt noch te hoog, noch te laag aangeslagen;
  • Werkplan: de kwaliteit en doeltreffendheid van het werkplan, waaronder de mate waarin de aan de werkpakketten toegewezen middelen overeenstemmen met de doelstellingen en beoogde resultaten van de werkpakketten;
  • Financieel toezicht en kwaliteitscontrole: controlemaatregelen (doorlopende kwaliteitsbeoordeling, intercollegiale toetsing, benchmarking enzovoort) en kwaliteitsindicatoren zorgen ervoor dat het project op kwalitatief hoogstaande en kostenefficiënte wijze wordt uitgevoerd. Projectgerelateerde uitdagingen/risico’s worden duidelijk in kaart gebracht en waar nodig wordt gezorgd voor risicobeperkende maatregelen. Deskundige toetsingsprocessen zijn gepland als integraal onderdeel van het project. Deze processen omvatten een onafhankelijke externe beoordeling halverwege en aan het eind van het project.
  • Indien het project mobiliteitsactiviteiten (voor lerenden en/of personeel) omvat:
  • de kwaliteit van de praktische regelingen, beheersvoorschriften en vormen van ondersteuning;
  • de mate waarin deze activiteiten afgestemd zijn op de projectdoelstellingen en daarbij een passend aantal deelnemers betrokken is;
  • de kwaliteit van regelingen met het oog op de erkenning en validering van de leerresultaten van deelnemers, in overeenstemming met de Europese instrumenten voor en beginselen inzake transparantie en erkenning.

Kwaliteit van het partnerschap en de samenwerkingsregelingen

(maximaal 20 punten)

  • Samenstelling: het project is op passende wijze samengesteld uit complementaire deelnemende organisaties die over het vereiste profiel, de nodige competenties en de nodige ervaring en deskundigheid beschikken om het project in elk opzicht met succes te voltooien;
  • Opwaartse convergentie: de mate waarin de partnerschappen organisaties samenbrengen die actief zijn op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding of in het bedrijfsleven en die zich in verschillende fasen van de ontwikkeling van benaderingen tot topkwaliteit op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding bevinden, en de mate waarin zij een vlotte en effectieve uitwisseling van deskundigheid en kennis tussen die partners mogelijk maken;
  • Geografische dimensie: de mate waarin het partnerschap relevante partners omvat uit verschillende geografische gebieden, en de mate waarin de aanvrager de geografische samenstelling van het partnerschap heeft gemotiveerd en de relevantie ervan voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de kenniscentra voor beroepsopleiding heeft aangetoond; alsook de mate waarin het partnerschap een breed en passend scala van relevante actoren op lokaal en regionaal niveau omvat;
  • Betrokkenheid van partnerlanden: voor zover van toepassing, levert de betrokkenheid van deelnemende organisaties uit partnerlanden een essentiële meerwaarde op voor het project;
  • Inzet: de coördinator bezit hoogwaardige managementvaardigheden, is in staat transnationale netwerken te coördineren en geeft blijk van leiderschapskwaliteiten in een complexe omgeving; de verantwoordelijkheden en taken zijn ondubbelzinnig en oordeelkundig verdeeld; daarbij wordt duidelijk aangetoond dat de inzet en actieve bijdrage van alle deelnemende organisaties perfect aansluiten op hun specifieke deskundigheid en capaciteit;
  • Samenwerking: er wordt een doeltreffend mechanisme voorgesteld om een goede coördinatie, besluitvorming en communicatie te waarborgen tussen de deelnemende organisaties, deelnemers en alle andere belanghebbenden.

Gevolgen

(maximaal 20 punten)

  • Benutting: het voorstel toont aan hoe de resultaten van het project worden benut door de partners en andere belanghebbenden. Er wordt gezorgd voor middelen om de benutting te meten tijdens en na afloop van het project.
  • Verspreiding: het voorstel bevat een duidelijk plan voor de verspreiding van resultaten, en voorziet in passende streefdoelen, activiteiten, een relevante timing, instrumenten en communicatiekanalen om ervoor te zorgen dat de resultaten en voordelen efficiënt worden verspreid onder de belanghebbenden, beleidsmakers, begeleidingsdeskundigen, ondernemingen, jonge lerenden enzovoort, gedurende de looptijd van het project, maar ook daarna; in het voorstel wordt ook aangegeven welke partners verantwoordelijk zullen zijn voor de verspreiding;
  • Effect: het voorstel toont de potentiële effecten van het project aan:
  • op deelnemers en deelnemende organisaties tijdens en na afloop van het project;
  • buiten de organisaties en personen die rechtstreeks deelnemen aan het project, op lokaal, regionaal, nationaal en/of Europees niveau.

Het voorstel omvat maatregelen en duidelijk omschreven doelstellingen en indicatoren om de voortgang te monitoren en het verwachte effect (korte en lange termijn) te beoordelen;

  • Duurzaamheid: in het voorstel wordt uitgelegd hoe de kenniscentra voor beroepsopleiding zullen worden ingevoerd en verder zullen worden ontwikkeld. Het voorstel omvat het ontwerp van een actieplan voor de lange termijn voor de geleidelijke invoering van projectresultaten na afloop van het project. Dit plan moet gebaseerd zijn op langdurige partnerschappen op het geëigende niveau tussen aanbieders van onderwijs en opleiding en belangrijke stakeholders uit het bedrijfsleven. Het moet de vaststelling van passende governancestructuren omvatten, alsook plannen met het oog op schaalbaarheid en financiële duurzaamheid, met inbegrip van een identificatie van de financiële middelen (Europees, nationaal en particulier) om ervoor te zorgen dat de resultaten en voordelen op lange termijn duurzaam zijn.

Om in aanmerking te komen voor financiering, moeten aanvragen ten minste 70 punten scoren (op een maximum van 100 punten), waarbij eveneens rekening moet worden gehouden met de vereiste minimumscore voor elk van de vier gunningscriteria: een minimumscore van 18 punten voor de categorie “Relevantie van het project”; 13 punten voor de categorie “Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering” en 11 punten voor de categorieën “Kwaliteit van het partnerschap en de samenwerkingsregelingen” en “Gevolgen”. Bij een ex aequo wordt voorrang gegeven aan de hoogste scores voor “Relevantie van het project” en vervolgens voor “Gevolgen”.

Als algemene regel en binnen de grenzen van de bestaande nationale en Europese rechtskaders geldt dat resultaten beschikbaar moeten worden gesteld als open leermiddelen alsook op relevante platforms van beroepsverenigingen, sectorverenigingen of bevoegde autoriteiten. Het voorstel beschrijft hoe geproduceerde gegevens, materiaal, documenten en audiovisuele en sociale media-activiteiten vrij toegankelijk worden gemaakt en gepromoot onder open licenties zonder dat er onevenredige beperkingen worden opgelegd.

Wat zijn de financieringsregels?

Deze actie volgt een financieringsmodel op basis van vaste bedragen. Het bedrag van de afzonderlijke vaste bijdrage wordt voor elke subsidie bepaald op basis van het geraamde budget van de door de aanvrager voorgestelde actie. De subsidieautoriteit stelt het vaste bedrag van elke subsidie vast op basis van het voorstel, het evaluatieresultaat, de financieringspercentages en het maximale subsidiebedrag zoals vastgesteld in de oproep.

De maximale EU-subsidie per project bedraagt 4 miljoen EUR.

Hoe wordt het vaste bedrag voor het project vastgesteld?

Aanvragers moeten overeenkomstig het aanvraagformulier een gedetailleerde begrotingstabel invullen, rekening houdend met de volgende punten:

  1. Het budget moet worden beschreven zoals vereist door de begunstigden en worden onderverdeeld in samenhangende werkpakketten (bijvoorbeeld “projectbeheer”, “opleiding”, “organisatie van evenementen”, “voorbereiding en uitvoering van mobiliteit”, “communicatie en verspreiding”, “kwaliteitsborging” enz.).
  2. In het voorstel moeten de activiteiten worden beschreven die elk werkpakket behelst.
  3. Aanvragers moeten in hun voorstel een uitsplitsing geven van het vaste bedrag, met het aandeel per werkpakket (en, binnen elk werkpakket, het aandeel dat aan elke begunstigde en gelieerde entiteit is toegewezen).
  4. De beschreven kosten kunnen personeelskosten, reis- en verblijfkosten, kosten voor uitrusting en uitbesteding of andere kosten zijn (bijvoorbeeld voor de verspreiding van informatie, publicatie of vertaling).

De voorstellen zullen worden geëvalueerd aan de hand van de standaardevaluatieprocedures met de hulp van interne en/of externe deskundigen. De deskundigen beoordelen de kwaliteit van de voorstellen aan de hand van de in de oproep vastgestelde vereisten en de verwachte gevolgen, kwaliteit en efficiëntie van de actie.

Na de evaluatie van het voorstel stelt de ordonnateur de hoogte van het vaste bedrag vast, rekening houdend met de bevindingen van de verrichte beoordeling. Het vaste bedrag wordt beperkt tot een maximum van 80 % van de geraamde begroting, zoals vastgesteld na de evaluatie.

De subsidieparameters (maximaal subsidiebedrag, financieringspercentage, totale subsidiabele kosten enz.) worden vastgesteld in de subsidieovereenkomst.

De verwezenlijkingen van het project worden geëvalueerd aan de hand van de resultaten van het afgeronde project. Door die financieringsregeling kan meer nadruk worden gelegd op de resultaten dan op de inbreng, waardoor er meer aandacht wordt besteed aan de kwaliteit en de mate waarin meetbare doelstellingen zijn verwezenlijkt.

Nadere gegevens zijn opgenomen in de modelsubsidieovereenkomst die te vinden is op het Funding and Tender Opportunities Portal (FTOP).

  1. Volgens Cedefop heeft werkplekleren betrekking op kennis en vaardigheden die worden verworven door het verrichten van — en reflecteren over — opdrachten in een beroepsomgeving, op de werkplek [...] of in een instelling voor beroepsonderwijs en -opleiding. Voor initiële vormen van beroepsonderwijs en -opleiding zijn er volgens het verslag van de Commissie van 2013 (Work-based learning in Europe: Practices and Policy pointers) drie vormen van werkplekleren: 1) afwisselende regelingen of stages die bekend staan als het “duale stelsel”, 2) werkplekleren in de vorm van beroepsonderwijs en -opleiding op school met praktijkopleidingen in bedrijven en 3) werkplekleren in het kader van een schoolprogramma, via laboratoria ter plaatse, ateliers, keukens, restaurants, leer- of oefenbedrijven of simulaties op school of echte opdrachten in het bedrijfsleven/de industrie.

    Gelieve voor alle terminologie in verband met beroepsonderwijs en -opleiding, met inbegrip van werkplekleren, de officiële Cedefop-publicatie te gebruiken:

    https://www.cedefop.europa.eu/en/publications-and-resources/publications/4117.

  2. Zoals het Europees kwalificatiekader, EQAVET, de aanbeveling van de Raad over een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen, de aanbeveling van de Raad inzake sleutelcompetenties enz.

  3. https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32020H1202(01)&from=EN

  4. https://www.cedefop.europa.eu/files/osnabrueck_declaration_eu2020.pdf

.foot {font-size: 0.8em; margin-left: 2.5em; border-top: 1px solid black;} table, td, tr{border: 1px solid black; cellpadding="1"; cellspacing="1";} table{margin-bottom: 30px;}