Skip to main content

Erasmus+

EU programme for education, training, youth and sport

Deze webpagina geeft nog geen weergave van de inhoud van de programmagids van Erasmus+ 2022. Maar u kunt de volledige gids voor 2022 in de door u gekozen taal in pdf-formaat downloaden door te klikken op “Download” op de rechterkant van deze pagina.

Samenwerkingspartnerschappen

Samenwerkingspartnerschappen zijn hoofdzakelijk bedoeld om organisaties in staat te stellen de kwaliteit en relevantie van hun activiteiten te vergroten, hun partnernetwerken te ontwikkelen en te versterken en hun capaciteit te verhogen om gezamenlijk op te treden op transnationaal niveau, om zo de internationalisering van hun activiteiten te stimuleren, door nieuwe praktijken en methoden uit te wisselen of te ontwikkelen en ideeën te delen en te toetsen. Zij beogen de ontwikkeling, overdracht en/of toepassing van innovatieve praktijken te bevorderen evenals de tenuitvoerlegging van gezamenlijke initiatieven die samenwerking, intercollegiaal leren en uitwisseling van ervaring op Europees niveau stimuleren. De resultaten moeten herbruikbaar, overdraagbaar en opschaalbaar zijn en indien mogelijk een sterke disciplineoverschrijdende dimensie hebben. Van geselecteerde projecten wordt verwacht dat zij de resultaten van hun activiteiten op lokaal, regionaal, nationaal en transnationaal niveau delen.

Samenwerkingspartnerschappen zijn gekoppeld aan de prioriteiten en beleidskaders voor elke Erasmus+-sector, zowel op Europees als op nationaal niveau, en moeten tegelijkertijd stimulansen bieden voor sectoroverschrijdende en horizontale samenwerking op themagebieden.

Doelstellingen van de actie

Samenwerkingspartnerschappen zijn erop gericht:

  • de kwaliteit van het werk, de activiteiten en de praktijken van betrokken organisaties en instellingen te vergroten, en ze open te stellen voor nieuwe actoren die niet van nature binnen één sector vallen;
  • de capaciteit van organisaties te vergroten om transnationaal en sectoroverschrijdend te werken;
  • gemeenschappelijke behoeften en prioriteiten aan te pakken op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport;
  • transformatie en verandering mogelijk te maken (op individueel, organisatie- of sectorniveau), om zo het pad te effenen voor verbeteringen en nieuwe benaderingen, in verhouding tot de context van elke organisatie.

 

Aan welke criteria moet zijn voldaan om een samenwerkingspartnerschap aan te vragen?

Om in aanmerking te komen voor een Erasmus+-subsidie, moeten projectvoorstellen voor samenwerkingspartnerschappen aan de volgende criteria voldoen:

SUBSIDIABILITEITSCRITERIA

Wie kan een aanvraag indienen?

Elke deelnemende organisatie die in een programmaland gevestigd is, kan een subsidie aanvragen. Deze organisatie dient de aanvraag in namens alle deelnemende organisaties die bij het project betrokken zijn.

Welke soorten organisaties komen in aanmerking voor deelname aan het project?

Elke publieke of particuliere organisatie die gevestigd is in een programmaland of in een willekeurig partnerland over de hele wereld (zie deel A van deze gids onder “begunstigde landen”) kan deelnemen aan een samenwerkingspartnerschap[1]. Organisaties die gevestigd zijn in programmalanden, kunnen deelnemen als coördinator van het project of als partnerorganisatie. Organisaties in partnerlanden kunnen niet deelnemen als projectcoördinatoren.

Samenwerkingspartnerschappen staan niet alleen open voor elke organisatie die actief is op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugdzaken, sport of in andere sociaaleconomische sectoren, maar ook voor organisaties die op verschillende terreinen tegelijk actief zijn (zoals lokale, regionale en nationale overheden, centra voor erkenning en validering, kamers van koophandel, vakorganisaties, centra voor begeleiding, culturele en sportorganisaties).

Afhankelijk van de projectdoelstellingen en -prioriteit komt het erop aan de meest geschikte en uiteenlopende partners te betrekken bij samenwerkingspartnerschappen met het doel de verschillende ervaringen, profielen en specifieke deskundigheid optimaal te benutten en ter zake dienende en kwalitatief hoogstaande projectresultaten te boeken.

Deelname van geassocieerde partnerorganisaties

Naast de organisaties die formeel deelnemen aan het project (de coördinator en de partnerorganisaties), kunnen bij samenwerkingspartnerschappen ook andere partners uit de publieke of private sector betrokken zijn die bijdragen tot de uitvoering van specifieke taken/activiteiten van het project of de bevordering en de duurzaamheid van het project ondersteunen.

Binnen een Erasmus+-project worden deze partners “geassocieerde partners” genoemd. Voor wat de subsidiabiliteit en het contractbeheer betreft, worden zij niet als projectpartners beschouwd, en zij krijgen geen financiële steun van het programma in het kader van het project. Om hun rol in het partnerschap te begrijpen en een algemeen beeld te krijgen van het voorstel, moet hun betrokkenheid bij het project en bij de verschillende activiteiten niettemin duidelijk worden omschreven.

Aantal deelnemende organisaties en profiel daarvan

Een samenwerkingspartnerschap is een transnationaal project, wat betekent dat er minstens drie organisaties uit drie verschillende programmalanden bij betrokken zijn.

Er is geen maximumaantal voor de deelnemende organisaties in één partnerschap vastgesteld. Voor voorstellen voor samenwerkingspartnerschappen op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken die decentraal door de nationale Erasmus+-agentschappen worden beheerd en die gebaseerd zijn op een financieringsmodel op basis van eenheidskosten, wordt voor het budget voor projectbeheer en -uitvoering echter wel een maximum vastgesteld (gelijk aan tien deelnemende organisaties).

Alle deelnemende organisaties moeten worden geïdentificeerd op het ogenblik dat een subsidie wordt aangevraagd.

In het algemeen zijn samenwerkingspartnerschappen gericht op de samenwerking tussen in programmalanden gevestigde organisaties. Niettemin kunnen ook organisaties uit partnerlanden als partner (niet als aanvrager) worden betrokken voor zover hun deelname essentiële meerwaarde oplevert voor het project.

Behandelde prioriteiten

Om in aanmerking te komen voor financiering, moeten samenwerkingspartnerschappen gericht zijn op

  • ten minste een horizontale prioriteit

en/of

  • ten minste één specifieke doelstelling die relevant is op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport dat het sterkst wordt beïnvloed.

Voor projecten op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken die decentraal worden beheerd door de nationale Erasmus+-agentschappen, kunnen nationale agentschappen binnen deze prioriteiten meer aandacht schenken aan prioriteiten die bijzonder relevant zijn in hun nationale context (de zogeheten “Europese prioriteiten in de nationale context”). De nationale agentschappen moeten potentiële aanvragers hier via hun officiële website naar behoren over informeren.

Locatie van de activiteiten

Alle activiteiten van een samenwerkingspartnerschap moeten plaatsvinden in de landen van de organisaties die aan het project deelnemen als volwaardige of als geassocieerde partners.

Bovendien, indien naar behoren gemotiveerd in verband met de doelstellingen of de uitvoering van het project:

  • kunnen de activiteiten ook plaatsvinden in een plaats waar een instelling van de Europese Unie[2] is gevestigd, zelfs als aan het project geen organisaties deelnemen uit het land waar de instelling is gevestigd.
  • Activiteiten waarbij resultaten worden gedeeld en gepromoot kunnen ook plaatsvinden op relevante thematische transnationale evenementen/conferenties in programma- of partnerlanden.

Projectduur

Tussen 12 en 36 maanden.

De duur moet in de aanvraagfase worden gekozen op basis van de doelstellingen van het project en het soort geplande activiteiten.

Wanneer de begunstigde daartoe een gemotiveerd verzoek indient en voor zover het nationaal of uitvoerend agentschap daarmee instemt, kan de duur van een samenwerkingspartnerschap worden verlengd op voorwaarde dat het partnerschap in totaal niet langer dan 36 maanden duurt. In dat geval blijft de totale subsidie ongewijzigd.

Waar aanvragen?

Voor partnerschappen op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken die worden ingediend door een organisatie op die gebieden, met uitzondering van Europese ngo’s:

  • Bij het nationaal agentschap in het land waar de verzoekende organisatie is gevestigd.

Voor partnerschappen op het gebied van sport en partnerschappen op de gebieden van onderwijs, opleiding of jeugdzaken die door Europese ngo’s worden ingediend[3]:

  • Bij het in Brussel gevestigde Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur.
    • Sport — oproep-ID: ERASMUS-SPORT-2021-SCP
    • Europese ngo’s — oproep-ID:
      • ERASMUS-EDU-2021-PCOOP-ENGO
      • ERASMUS-YOUTH-2021-PCOOP-ENGO

In beide gevallen kan één en hetzelfde consortium van partners per termijn slechts één aanvraag indienen, en slechts bij één agentschap[4].

Wanneer aanvragen?

Voor partnerschappen op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken die worden ingediend door een organisatie op die gebieden, met uitzondering van Europese ngo’s:

  • Aanvragers moeten hun subsidieaanvraag uiterlijk indienen op 20 mei om 12:00:00 uur ('s middags, Belgische tijd) voor projecten die van start gaan tussen 1 november van datzelfde jaar en 28 februari van het daaropvolgende jaar.

Voor partnerschappen op het gebied van jeugdzaken die worden ingediend door om het even welke organisatie op deze gebieden, met uitzondering van Europese ngo’s:

  • Mogelijke aanvullende termijn:

Nationale agentschappen mogen een tweede aanvraagronde organiseren, met inachtneming van de regels in deze gids. In voorkomend geval maken de nationale agentschappen deze mogelijkheid bekend via hun website.

Indien een tweede ronde wordt georganiseerd, moeten aanvragers hun subsidieaanvraag uiterlijk indienen op 3 november om 12:00:00 uur ('s middags, Belgische tijd) voor projecten die van start gaan tussen 1 maart en 31 mei van het daaropvolgende jaar.

Voor partnerschappen op het gebied van sport en partnerschappen op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken die door Europese ngo’s worden ingediend:

  • Subsidieaanvragen moeten uiterlijk op 20 mei om 17:00:00 uur (Belgische tijd) worden ingediend.

In aanmerking komende onderwijs-, opleidings- en leeractiviteiten

Het partnerschap kan onderwijs-, opleidings- en leeractiviteiten organiseren voor personeel, jeugdwerkers, lerenden en jongeren om de uitvoering van het project en de verwezenlijking van de projectdoelstellingen te ondersteunen.

De onderwijs-, opleidings- en leeractiviteiten kunnen elke vorm aannemen die relevant is voor het project, en er kan meer dan een soort deelnemers bij betrokken zijn, individueel of als groep. Het format, het doel en het soort en het aantal deelnemers aan de voorgestelde activiteiten worden beschreven en gemotiveerd in de projectaanvraag.

In aanmerking komende deelnemers aan onderwijs-, opleidings- en leeractiviteiten zijn onder meer:

  • onderwijzend en niet-onderwijzend personeel[5], zoals professoren, leerkrachten, opleiders en ander personeel dat in deelnemende organisaties werkt;
  • jeugdwerkers;
  • uitgenodigde leerkrachten en deskundigen van niet-deelnemende organisaties;
  • stagiairs, leerlingen van beroepsonderwijs en -opleiding, studenten in het hoger onderwijs[6], lerende volwassenen en leerlingen van deelnemende organisaties;
  • jongeren uit landen van de deelnemende organisaties;
  • sportpersoneel, zoals coaches, managers of opleiders; sportmensen; scheidsrechters.

Aanvragende organisaties worden getoetst aan de relevante uitsluitings- en selectiecriteria. Zie deel C van deze gids voor meer informatie.

Een project opzetten

Een samenwerkingspartnerschap bestaat uit vier fasen, die van start gaan nog voordat het projectvoorstel wordt geselecteerd voor financiering: planning, voorbereiding, uitvoering en follow-up. Deelnemende organisaties en deelnemers die betrokken zijn bij de activiteiten, moeten een actieve rol spelen in al deze fasen om zo hun leerervaring te verbeteren.

  • Planning (de behoeften, doelstellingen, project- en leerresultaten, activiteitsvormen vaststellen, het tijdsschema bepalen enz.);
  • voorbereiding (planning van de activiteiten, ontwikkeling van het werkprogramma, praktische regelingen, bevestiging van de doelgroep(en) van de beoogde activiteiten, opzetten van overeenkomsten met partners enz.);
  • uitvoering van de activiteiten;
  • follow-up (evaluatie van de activiteiten en hun effecten op verschillende niveaus, delen en gebruik van de projectresultaten).

Horizontale aspecten die in aanmerking moeten worden genomen bij het opzetten van uw project:

Naast het naleven van de vormcriteria en het opzetten van een duurzame samenwerkingsregeling met alle projectpartners kunnen de volgende elementen bijdragen aan het vergroten van het effect en aan de kwaliteitsvolle uitvoering van samenwerkingspartnerschappen gedurende de verschillende projectfasen. Aanvragers worden aangemoedigd om deze mogelijkheden en dimensies in aanmerking te nemen bij het opzetten van projecten in het kader van een samenwerkingspartnerschap.

Milieuduurzaamheid

Projecten moeten op een milieuvriendelijke manier zijn opgezet en moeten groene praktijken omvatten in al hun facetten. Organisaties en deelnemers moeten een milieuvriendelijke aanpak hanteren bij de opzet van het project, die alle betrokkenen ertoe zal aanmoedigen om milieukwesties te bespreken en er meer over te leren, en zo na te denken over wat er op de verschillende niveaus kan worden gedaan, en organisaties en deelnemers zal helpen om alternatieve, groenere manieren te bedenken om de projectactiviteiten uit te voeren.

Inclusie en diversiteit

Het Erasmus+-programma is bedoeld om gelijke kansen en toegang, inclusie en billijkheid te bevorderen in al zijn acties. Om deze beginselen in de praktijk te brengen, is een strategie inzake inclusie en diversiteit opgezet om deelnemers met meer diverse achtergronden beter te bereiken, in het bijzonder kansarme deelnemers die met belemmeringen kampen bij de deelname aan Europese projecten. Organisaties moeten toegankelijke, inclusieve projectactiviteiten ontwerpen, waarbij zij rekening moeten houden met de standpunten van kansarme deelnemers, die gedurende het hele proces bij de besluitvorming moeten worden betrokken.

Digitale dimensie

Virtuele samenwerking en experimenteren met leermogelijkheden voor virtueel en gecombineerd afstands- en contactonderwijs zijn van essentieel belang voor geslaagde samenwerkingspartnerschappen. Vooral projecten op het gebied van schoolonderwijs en volwasseneneducatie worden er sterk toe aangemoedigd om het platform voor eTwinning, School Education Gateway en het EPALE-platform te gebruiken om samen te werken voor, tijdens en na de projectactiviteiten. Projecten op het gebied van jeugdzaken worden er sterk toe aangemoedigd om de Europese Jongerensite en het platform van de EU-strategie voor jongeren te gebruiken om samen te werken voor, tijdens en na de projectactiviteiten.

Toekenningscriteria

Relevantie van het project

(maximaal 30 punten)

De mate waarin:

  • het voorstel relevant is voor de doelstellingen en prioriteiten van de actie. Daarnaast zal het voorstel als zeer relevant worden beschouwd indien:
    • tegemoetkomt aan de prioriteit “inclusie en diversiteit”;
    • in geval van projecten die decentraal worden beheerd door de nationale Erasmus+-agentschappen: het betrekking heeft op een of meer “Europese prioriteiten in de nationale context”, zoals aangekondigd door het nationaal agentschap;
  • het profiel, de ervaring en activiteiten van de deelnemende organisaties relevant zijn voor het toepassingsgebied;
  • het voorstel berust op een gedegen en adequate behoefteanalyse;
  • het voorstel geschikt is om synergieën tot stand te brengen tussen verschillende gebieden van onderwijs, opleiding, jeugd en sport of potentieel een sterk effect heeft op een of meer van die gebieden;
  • het voorstel innovatief is;
  • het voorstel een aanvulling vormt op andere initiatieven die de deelnemende organisaties eerder hebben uitgevoerd;
  • het voorstel voor meerwaarde zorgt op EU-niveau in de vorm van resultaten die niet worden bereikt in het geval dat activiteiten in een afzonderlijk land worden uitgevoerd.

Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering

(maximaal 20 punten)

De mate waarin:

  • de projectdoelstellingen duidelijk worden afgebakend en realistisch van opzet zijn, en behoeften en doelstellingen van de deelnemende organisaties en de behoeften van hun doelgroepen aanpakken;
  • de voorgestelde methode duidelijk, passend en haalbaar is:
  • het werkplan van het project is duidelijk, volledig en doeltreffend en omvat passende fasen voor de voorbereiding, de uitvoering en het delen van de projectresultaten;
  • het project economisch verantwoord (kosteneffectief) is en geschikte middelen toewijst aan elke activiteit;
  • in het kader van het project passende maatregelen voor kwaliteitsborging, monitoring en evaluatie worden voorgesteld die ten doel hebben te waarborgen dat het project op kwalitatief hoogstaande wijze, op tijd en binnen het budget wordt voltooid;
  • de activiteiten op een toegankelijke en inclusieve manier zijn opgezet en openstaan voor kansarmen;
  • in het project is voorzien in het gebruik van digitale hulpmiddelen en leermethoden om de fysieke activiteiten aan te vullen en de samenwerking tussen partnerorganisaties te verbeteren.
    • Indien Erasmus+-onlineplatforms beschikbaar zijn op de gebieden van de deelnemende organisaties: de mate waarin het project gebruikmaakt van Erasmus+-onlineplatforms (eTwinning, EPALE, het portaal voor schoolonderwijs, de Europese Jongerensite, het platform voor de EU-jeugdstrategie) als instrumenten voor de voorbereiding, uitvoering en follow-up van de projectactiviteiten.
  • Het project is op een milieuvriendelijke manier opgezet en omvat groene praktijken in verschillende projectfasen.

Wanneer het project voorziet in leer-, onderwijs- of opleidingsactiviteiten:

  • de mate waarin deze activiteiten afgestemd zijn op de projectdoelstellingen en daarbij een passend aantal deelnemers met een passend profiel betrokken is;
  • de kwaliteit van praktische regelingen, het beheer en de ondersteunende modaliteiten voor leer-, onderwijs- en opleidingsactiviteiten;
  • de kwaliteit van regelingen met het oog op de erkenning en validering van de leerresultaten van deelnemers, in overeenstemming met de Europese instrumenten voor en beginselen inzake transparantie en erkenning.

Kwaliteit van het partnerschap en de samenwerkingsregelingen

(maximaal 20 punten)

 

De mate waarin:

  • het project op passende wijze is samengesteld uit deelnemende organisaties wat betreft hun profiel, eerdere ervaring met het programma en deskundigheid om alle projectdoelstellingen met succes te voltooien;
  • bij het project ook nieuwe deelnemers aan de actie en minder ervaren organisaties betrokken zijn;
  • de voorgestelde taakverdeling een afspiegeling is van de inzet en actieve bijdrage van alle deelnemende organisaties;
  • het voorstel doeltreffende mechanismen bevat voor coördinatie en communicatie, niet alleen tussen de deelnemende organisaties, maar ook met andere relevante belanghebbenden.
  • Indien van toepassing, de mate waarin de betrokkenheid van een deelnemende organisatie uit een partnerland essentiële meerwaarde oplevert voor het project (indien niet is voldaan aan deze voorwaarde, wordt de deelnemende organisatie uit een partnerland uitgesloten van het projectvoorstel tijdens de beoordelingsfase).

Gevolgen

(maximaal 30 punten)

De mate waarin:

  • het projectvoorstel concrete en logische stappen omvat om de projectresultaten te integreren in de dagelijkse werkzaamheden van deelnemende organisaties;
  • het project een positief effect kan hebben op de deelnemers en deelnemende organisaties en hun bredere gemeenschappen;
  • de verwachte projectresultaten gedurende het project en na afloop ervan kunnen worden gebruikt buiten de organisaties die aan het project deelnemen en op lokaal, regionaal, nationaal of Europees niveau;
  • het projectvoorstel concrete en doeltreffende stappen omvat om de resultaten van het project bekend te maken binnen de deelnemende organisaties, de resultaten te delen met andere organisaties en met het publiek en publiekelijk aan te geven dat steun is ontvangen van de Europese Unie;
    • voor zover van toepassing, de mate waarin het voorstel beschrijft hoe geproduceerde documenten, materiaal en media vrij toegankelijk worden gemaakt en gepromoot onder open licenties zonder dat er onevenredige beperkingen worden opgelegd;
  • het projectvoorstel concrete en logische stappen bevat om de duurzaamheid van het project te verzekeren en de mate waarin het project effecten en resultaten kan blijven opleveren nadat de EU-subsidie is opgebruikt.

De voorstellen moeten een minimumscore van 60 punten behalen om voor financiële steun in aanmerking te komen. Bovendien moeten de voorstellen een score behalen van minstens de helft van het maximumaantal punten in elke categorie van de hierboven vermelde toekenningscriteria (dat wil zeggen ten minste 15 punten voor de categorieën “Relevantie van het project” en “Gevolgen”; 10 punten voor de categorieën “Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering” en “Kwaliteit van het partnerschap en de samenwerkingsregelingen”).

Voor door het uitvoerend agentschap beheerde samenwerkingspartnerschappen wordt bij een ex aequo voorrang gegeven aan de hoogste scores voor “Relevantie van het project” en vervolgens voor “Gevolgen”.

Wat zijn de financieringsregels?

Naargelang van het soort samenwerkingspartnerschap en waar de aanvraag is ingediend (bij nationale Erasmus+-agentschappen in programmalanden of bij het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur (EACEA) in Brussel) zullen voorstellen een verschillende begrotingsmodel volgen. Deze modellen worden hieronder toegelicht:

  1. Voor voorstellen voor samenwerkingspartnerschappen op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken[7] die door de nationale Erasmus+-agentschappen worden beheerd:

In het voorgestelde financieringsmodel is een reeks kostenposten opgenomen waaruit de aanvragers een keuze kunnen maken naargelang van de activiteiten die ze willen ondernemen en de resultaten die ze daarbij nastreven. Voor de eerste kostenpost, “Projectbeheer en -uitvoering” mogen alle samenwerkingspartnerschappen een subsidieaanvraag indienen, aangezien het gaat om kosten die voor elk soort project worden gemaakt. Samenwerkingspartnerschappen kunnen ook specifieke financiering aanvragen voor het organiseren van “transnationale projectbijeenkomsten”. De andere kostenposten mogen alleen worden gekozen voor projecten die doelstellingen op ruimere schaal nastreven met betrekking tot projectresultaten, verspreiding of geïntegreerde leer-, onderwijs- en opleidingsactiviteiten. Voor zover gerechtvaardigd door de projectactiviteiten/-resultaten kunnen buitengewone kosten en kosten voor deelname van kansarme personen ook worden gedekt.

De totale projectsubsidie is een variabel bedrag dat minimaal 100 000 EUR en maximaal 400 000 EUR bedraagt voor projecten met een looptijd van minimaal 12 maanden en maximaal 36 maanden.

De tabellen van de gedetailleerde financieringsregels met de toepasselijke tarieven en begrotingsposten waaruit de begroting van dit soort projecten bestaat, zijn hieronder terug te vinden, in het onderdeel “Toepasselijke financieringsregels voor voorstellen voor samenwerkingspartnerschappen op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken[8] die decentraal door de nationale Erasmus+-agentschappen worden beheerd”.

  1. Voor voorstellen voor samenwerkingspartnerschappen op het gebied van:
  • sport; of
  • onderwijs, opleiding en jeugdzaken ingediend door een Europese ngo;

beheerd door het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur (EACEA) in Brussel:

Het voorgestelde financieringsmodel bestaat uit een menu van drie afzonderlijke vaste bedragen, die overeenkomen met het totale subsidiebedrag voor het project: 120 000 EUR, 250 000 EUR en 400 000 EUR. Aanvragers kunnen een keuze maken uit de drie vooraf bepaalde bedragen naargelang van de activiteiten die ze willen ondernemen en de resultaten die ze daarbij nastreven.

Bij de planning van hun projecten moeten de aanvragende organisaties — samen met hun projectpartners — het afzonderlijke vaste bedrag kiezen dat het beste aansluit bij de kosten van hun projecten, op basis van hun behoeften en doelstellingen. Indien het project wordt geselecteerd voor financiering, wordt het aangevraagde vaste bedrag het totale subsidiebedrag.

De voorstellen moeten een beschrijving omvatten van de activiteiten die aanvragers beloven uit te voeren met het aangevraagde vaste bedrag en moeten voldoen aan de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid.

Vereisten naargelang van het vaste bedrag

  1. Voor subsidiebedragen van 120 000 of 250 000 EUR:

Voorstellen moeten een behoefteanalyse omvatten en een indicatie van de verdeling van de taken en het budget over de projectpartners. Ook het tijdschema voor de uitvoering van elk projectwerkpakket en van de activiteiten en de termijn voor het opleveren van de beoogde projectresultaten moeten worden vermeld.

In de projectbeschrijving moet een onderscheid worden gemaakt tussen het projectbeheer en werkpakketten voor de uitvoering. Aanvragers moeten de projectactiviteiten opsplitsen in “werkpakketten”. Elk werkpakket wordt gekoppeld aan specifieke doelstellingen, mijlpalen en beoogde resultaten. Aanvragers wordt aanbevolen hun projecten op te splitsen in maximaal vijf werkpakketten, met inbegrip van het pakket voor projectbeheer.

  1. Voor subsidiebedragen van 400 000 EUR:

De beschrijving van het project omvat een gedetailleerde projectmethodologie met een duidelijke taakverdeling en de financiële regelingen tussen de partners, een gedetailleerd tijdschema met mijlpalen en de belangrijkste beoogde resultaten, de monitoring- en controlesystemen en de instrumenten die worden toegepast om een tijdige uitvoering van de projectactiviteiten te waarborgen.

Aanvragers moeten de projectactiviteiten opsplitsen in “werkpakketten”. Elk werkpakket wordt gekoppeld aan specifieke doelstellingen, mijlpalen en beoogde resultaten. Aanvragers wordt aanbevolen hun projecten op te splitsen in maximaal vijf werkpakketten, met inbegrip van het pakket voor projectbeheer.

Voorstellen moeten kwaliteitsborgings- en monitoringmechanismen en een evaluatiestrategie omvatten. In het kader van de evaluatiestrategie moeten aanvragers een reeks kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren vaststellen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld in hoeverre die doelstellingen zijn gehaald.

Betaling van de subsidie

De uiteindelijke betaling zal overeenkomen met het aantal georganiseerde activiteiten en de voltooide werkpakketten, met als maximum het maximale subsidiebedrag dat in de subsidieovereenkomst is vastgesteld en onverminderd de toepassing van de artikelen die specifiek verband houden met de betalingsvoorwaarden en verminderingen van het subsidiebedrag.

Toepasselijke financieringsregels voor voorstellen voor samenwerkingspartnerschappen op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken[9] die door de nationale erasmus+-agentschappen worden beheerd:

Het projectbudget wordt opgesteld met inachtneming van de volgende financieringsregels (in euro):

Maximale subsidie:

een variabel bedrag van maximaal 400 000 EUR.

Begunstigden kunnen de gehele voor het project ontvangen EU-subsidie gedurende de looptijd ervan op de meest flexibele wijze benutten, naargelang van de chronologische volgorde waarin activiteiten volgens het werkplan moeten worden uitgevoerd.

Begrotingsrubriek

Subsidiabele kosten en toepasselijke regels

Bedrag

Projectbeheer en -uitvoering

Projectbeheer (dat wil zeggen planning, financiën, coördinatie en communicatie tussen partners enzovoort); leer-, onderwijs- en/of opleidingsmateriaal, instrumenten, benaderingen op kleine schaal enzovoort. Virtuele samenwerking en lokale projectactiviteiten (bijvoorbeeld werkzaamheden in klasverband met lerenden, jeugdwerkactiviteiten, organisatie en mentorschap van geïntegreerde leer- en opleidingsactiviteiten enzovoort); informatie, promotie en delen van projectresultaten (bijvoorbeeld brochures, informatiefolders, informatie op internet enzovoort).

Financieringsmechanisme: tegemoetkoming in de eenheidskosten.

Toewijzingsregel: Op basis van de duur van de samenwerkingspartnerschappen en het aantal deelnemende organisaties.

Tegemoetkoming in de activiteiten van de coördinerende organisatie:

500 EUR per maand

Maximaal 2 750 EUR per maand

Bijdrage aan de activiteiten van de andere deelnemende organisaties:

250 EUR per organisatie per maand

Transnationale projectbijeenkomsten

Deelname aan bijeenkomsten tussen projectpartners, waarbij een van de deelnemende organisaties optreedt als gastorganisatie voor uitvoerings- en coördinatiedoeleinden. Tegemoetkoming in reis- en verblijfkosten.

Financieringsmechanisme: tegemoetkoming in de eenheidskosten.

Toewijzingsregel: op basis van de reisafstand en het aantal personen.

De aanvraag moet worden gemotiveerd door de aanvrager en door het nationale agentschap worden goedgekeurd. De aanvrager moet de afstand tussen de plaats van oorsprong en de locatie van de activiteit aangeven[10] met behulp van de door de Europese Commissie ondersteunde afstandscalculator[11].

Voor een reisafstand tussen 100 en 1 999 km:

575 EUR per deelnemer per bijeenkomst

Voor een reisafstand van 2 000 km of meer:

760 EUR per deelnemer per bijeenkomst

Projectresultaten

Resultaten/concrete prestaties van het project (zoals curricula, materiaal voor pedagogische doeleinden en jeugdwerk, open leermiddelen, IT-instrumenten, analyses, studies, methoden voor intercollegiaal leren (peer learning) enz.).

Financieringsmechanisme: tegemoetkoming in de eenheidskosten.

Toewijzingsregel: personeelskosten voor projectleiders en administratief medewerkers worden normaliter al gedekt door de kostenpost "Projectbeheer en uitvoering". Om mogelijke overlapping te voorkomen, moeten aanvragers het soort personeelskosten en de omvang daarvan rechtvaardigen ten aanzien van elk voorgesteld resultaat.

De resultaten moeten kwalitatief en kwantitatief aanzienlijk zijn om in aanmerking te komen voor subsidieverlening. Uit de resultaten moet blijken dat ze ruimer kunnen worden gebruikt en benut en hun potentiële impact moet aantoonbaar zijn.

Tabel B1.1 per projectleider per dag dat aan het project wordt gewerkt

Tabel B1.2 per onderzoeker/leerkracht/opleider/jeugdwerker per dag dat aan het project wordt gewerkt

Tabel B1.3 per specialist per dag dat aan het project wordt gewerkt

Tabel B1.4 per administratief medewerker per dag dat aan het project wordt gewerkt

Evenementen met multiplicator-effect

Tegemoetkoming in de kosten die verband houden met nationale en transnationale conferenties, seminars, evenementen (fysiek of virtueel) voor het delen en verspreiden van de projectresultaten (exclusief reis- en verblijfkosten voor vertegenwoordigers van de bij het project betrokken deelnemende organisaties).

Financieringsmechanisme: tegemoetkoming in de eenheidskosten.

Toewijzingsregel: er wordt alleen steun verleend aan evenementen met multiplicatoreffect die rechtstreeks verband houden met de resultaten van het project. Een project dat geen subsidiesteun krijgt voor projectresultaten, ontvangt evenmin steun voor het organiseren van evenementen met multiplicatoreffect.

100 EUR per lokale deelnemer

(dat wil zeggen deelnemers afkomstig uit het land waar het evenement plaatsvindt)

Maximaal 30 000 EUR per project, waarvan maximaal 5 000 EUR voor virtuele evenementen en projecten

200 EUR per internationale deelnemer (d.w.z. deelnemers afkomstig uit andere landen)

15 EUR per deelnemer aan virtuele evenementen

Steun voor inclusie

kosten in verband met de deelname van kansarme deelnemers.

Financieringsmechanisme: tegemoetkoming in de eenheidskosten.

Toewijzingsregel: op basis van het aantal kansarme deelnemers.

100 EUR per deelnemer

Extra kosten die rechtstreeks verband houden met kansarme deelnemers en hun begeleiders (met inbegrip van gerechtvaardigde reis- en verblijfkosten, voor zover voor deze deelnemers geen subsidie is aangevraagd in het kader van de rubrieken “reiskosten” of “individuele steun”).

Financieringsmechanisme: werkelijke kosten.

Toewijzingsregel: de aanvraag moet door de deelnemer worden gerechtvaardigd en door het nationale agentschap worden goedgekeurd.

100 % van de subsidiabele kosten

Buitengewone kosten

Tegemoetkoming in de werkelijke kosten voor de uitbesteding of de inkoop van goederen en diensten.

Kosten voor een financiële garantie, indien het nationaal agentschap daarom verzoekt.

Hoge reiskosten van deelnemers, met inbegrip van kosten als gevolg van het gebruik van schonere vervoermiddelen met lagere CO2-uitstoot.

Financieringsmechanisme: werkelijke kosten.

Toewijzingsregel: de aanvraag moet door de deelnemer worden gerechtvaardigd en door het nationale agentschap worden goedgekeurd. Uitbesteding moet verband houden met diensten die de deelnemende organisaties om deugdelijk gemotiveerde redenen niet zelf kunnen verstrekken. Uitrusting mag geen betrekking hebben op gewone kantooruitrusting, noch op uitrusting die doorgaans wordt gebruikt door de deelnemende organisaties.

80 % van de subsidiabele kosten.

Maximaal 50 000 EUR per project (met uitzondering van de kosten voor het verstrekken van een financiële garantie)

Aanvullende financiering voor onderwijs-, opleidings- en leeractiviteiten

Begrotings-rubriek

Subsidiabele kosten en toepasselijke regels

Bedrag

Steun voor reiskosten

Tegemoetkoming in de kosten die deelnemers, met inbegrip van begeleiders, maken om van de plaats van oorsprong naar de locatie van de activiteit en terug te reizen.

Financieringsmechanisme: tegemoetkoming in de eenheidskosten.

Toewijzingsregel: op basis van de reisafstand en het aantal personen.

De aanvrager moet de afstand tussen de plaats van oorsprong en de locatie van de activiteit aangeven[12] met behulp van de door de Europese Commissie ondersteunde afstandscalculator[13].

Reisafstand

Standaardreis

Groen reizen

0 – 99 km

23 EUR

 

100 – 499 km

180 EUR

210 EUR

500 – 1 999 km

275 EUR

320 EUR

2 000 – 2 999 km

360 EUR

410 EUR

3 000 – 3 999 km

530 EUR

610EUR

4 000 – 7 999 km

820 EUR

 

8000 km of meer

1500 EUR

 

Individuele steun

kosten die verband houden met het verblijf tijdens de activiteit.

Financieringsmechanisme: tegemoetkoming in de eenheidskosten.

Toewijzingsregel: op basis van de verblijfsduur per deelnemer, met inbegrip van begeleiders (indien nodig), met inbegrip van één reisdag vóór de activiteit en één reisdag na de activiteit.

Individuele steun kan worden gedekt voor een duur van de activiteit van maximaal 365 dagen. Het verzoek om tegemoetkoming in deze kosten moet met redenen worden omkleed in het aanvraagformulier.

Basisvergoeding voor personeelsleden en jeugdwerkers: 106 EUR

Basisvergoeding voor lerenden en jongeren: 58 EUR

De basisvergoeding is verschuldigd tot en met de 14e dag van de activiteit. De verschuldigde vergoeding bedraagt 70 % van de basisvergoeding vanaf de 15e dag van de activiteit, en 50 % van de basisvergoeding vanaf de 60e dag van de activiteit. De verschuldigde vergoedingen worden afgerond tot op de dichtstbijzijnde gehele euro.

Taalkundige ondersteuning

Kosten die verband houden met aan deelnemers geboden ondersteuning ter verbetering van de kennis van de instructie- of werktaal.

Financieringsmechanisme: tegemoetkoming in de eenheidskosten.

Toewijzingsregel: op basis van het aantal deelnemers en alleen voor activiteiten die tussen 2 en 12 maanden duren.

Het verzoek om tegemoetkoming in deze kosten moet met redenen worden omkleed in het aanvraagformulier.

150 EUR per deelnemer die taalkundige ondersteuning nodig heeft

Tabel A — Projectresultaten (bedragen in euro per dag)

Deze financiering mag alleen worden gebruikt voor personeelskosten van organisaties die aan het project deelnemen om projectresultaten te leveren[14]. De bedragen hangen af van: a) het profiel van het bij het project betrokken personeel, en b) het land van de deelnemende organisatie waarvan het personeel bij het project is betrokken.

 

Projectleider

Leerkracht/opleider/onderzoeker

Jeugdwerker

Specialist

Administratief medewerker/vrijwilliger

 

B1.1

B1.2

B1.3

B1.4

Denemarken, Ierland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Zweden, Liechtenstein, Noorwegen

294

241

190

157

België, Duitsland, Finland, Frankrijk, IJsland, Italië

280

214

162

131

Tsjechië, Griekenland, Spanje, Cyprus, Malta, Portugal, Slovenië

164

137

102

78

Bulgarije, Estland, Kroatië, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Roemenië, Servië, Slowakije, Republiek Noord-Macedonië, Turkije

88

74

55

47

Tabel B — Projectresultaten (bedragen in euro per dag)

Deze financiering mag alleen worden gebruikt voor personeelskosten van organisaties die aan het project deelnemen om projectresultaten te leveren[15]. De bedragen hangen af van: a) het profiel van het bij het project betrokken personeel, en b) het land van de deelnemende organisatie waarvan het personeel bij het project is betrokken.

 

Projectleider

Leerkracht/opleider/

onderzoekers/

Jeugdwerker

Specialist

Administratief personeel

 

B1.1

B1.2

B1.3

B1.4

Australië, Canada, Koeweit, Macau, Monaco, Qatar, San Marino, Zwitserland of de Verenigde Staten van Amerika

294

241

190

157

Andorra, Brunei, Japan, Nieuw-Zeeland, Singapore, Vaticaanstad, Verenigde Arabische Emiraten, Verenigd Koninkrijk

280

214

162

131

Bahama's, Bahrein, Hongkong, Israël, Zuid-Korea, Oman, Saudi-Arabië, Taiwan

164

137

102

78

Afghanistan, Albanië, Algerije, Angola, Antigua en Barbuda, Argentinië, Armenië, Azerbeidzjan, Bangladesh, Barbados, Belarus, Belize, Benin, Bhutan, Bolivia, Bosnië en Herzegovina, Botswana, Brazilië, Burkina Faso, Burundi, Cambodja, Centraal-Afrikaanse Republiek, Chili, China, Colombia, Comoren, Congo, Cookeilanden, Costa Rica, Cuba, Democratische Republiek Congo, Djibouti, Dominica, Dominicaanse Republiek, Ecuador, Egypte, El Salvador, Equatoriaal-Guinea, Eritrea, Eswatini, Ethiopië, Fiji, Filipijnen, Gabon, Gambia, Georgië, Ghana, Grenada, Guatemala, Guinee, Guinee-Bissau, Guyana, Haïti, Honduras, India, Indonesië, Irak, Iran, Ivoorkust, Jamaica, Jemen, Jordanië, Kaapverdië, Kameroen, Kazachstan, Kenia, Kirgizië, Kiribati, Kosovo, Laos, Lesotho, Libanon, Liberia, Libië, Madagaskar, Malawi, Maldiven, Maleisië, Mali, Marokko, Marshalleilanden, Mauritanië, Mauritius, Mexico, Micronesia, Moldavië, Mongolië, Montenegro, Mozambique, Myanmar/Birma, Namibië, Nauru, Nepal, Nicaragua, Niger, Nigeria, Niue, Noord-Korea, het grondgebied van Oekraïne zoals erkend in het internationaal recht, Oezbekistan, Oost-Timor, Pakistan, Palau, Palestina, Panama, Papoea-Nieuw-Guinea, Paraguay, Peru, het grondgebied van Rusland zoals erkend in het internationaal recht, Rwanda, Saint Kitts en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, Salomonseilanden, Samoa, Sao Tomé en Principe, Senegal, Seychellen, Sierra Leone, Somalië, Sri Lanka, Sudan, Suriname, Syrië, Tadzjikistan, Tanzania, Thailand, Togo, Tonga, Trinidad en Tobago, Tsjaad, Tunesië, Turkmenistan, Tuvalu, Uganda, Uruguay, Vanuatu, Venezuela, Vietnam, Zambia, Zimbabwe, Zuid-Afrika, Zuid-Sudan

88

74

55

39

  1. In een programmaland gevestigde instellingen voor hoger onderwijs (IHO’s) die willen deelnemen aan een samenwerkingspartnerschap moeten houder zijn van een geldig Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE). Deelnemende IHO’s uit partnerlanden hoeven niet in het bezit te zijn van een ECHE, maar moeten zich wel aansluiten bij de daarin vervatte beginselen. –

    Voor deze actie worden informele groepen jongeren niet als organisatie beschouwd en zij komen dus niet in aanmerking voor deelname (noch als aanvrager, noch als partner).

  2. De zetels van de instellingen van de Europese Unie bevinden zich in Brussel, Frankfurt, Luxemburg, Straatsburg en Den Haag.

  3. Zie voor een definitie van wat voor de toepassing van het Erasmus+-programma als Europese ngo wordt beschouwd “Deel D — Verklarende termenlijst” van deze gids.

  4. Dit omvat zowel de nationale Erasmus+-agentschappen als het in Brussel gevestigde Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA).

  5. Op het gebied van schoolonderwijs behoort hiertoe ook onderwijspersoneel dat interventies uitvoert in scholen, zoals schoolinspecteurs, schooladviseurs, pedagogisch begeleiders, psychologen enz.

  6. Op het gebied van hoger onderwijs moeten studenten zijn ingeschreven in een deelnemende IHO voor een studieprogramma dat wordt bekroond met een erkende graad of een andere erkende kwalificatie op tertiair niveau, tot en met doctoraatsniveau.

  7. Met uitzondering van voorstellen waarbij de aanvrager een Europese ngo op een van deze gebieden is. Deze aanvragers moeten financiering aanvragen op het centrale niveau, bij het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur (EACEA) in Brussel. Zie voor een definitie van wat voor de toepassing van het Erasmus+-programma als Europese ngo wordt beschouwd “Deel D — Verklarende termenlijst” van deze gids.

  8. Met uitzondering van voorstellen waarbij de aanvrager een Europese ngo op een van deze gebieden is. Deze aanvragers moeten financiering aanvragen op het centrale niveau, bij het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur (EACEA) in Brussel. Zie voor een definitie van wat voor de toepassing van het Erasmus+-programma als Europese ngo wordt beschouwd “Deel D — Verklarende termenlijst” van deze gids.

  9. Met uitzondering van voorstellen waarbij de aanvrager een Europese ngo op een van deze gebieden is. Deze aanvragers moeten financiering aanvragen op het centrale niveau, bij het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur (EACEA) in Brussel. Zie voor een definitie van wat voor de toepassing van het Erasmus+-programma als Europese ngo wordt beschouwd “Deel D — Verklarende termenlijst” van deze gids.

  10. Indien bijvoorbeeld iemand uit Madrid (Spanje) deelneemt aan een activiteit in Rome (Italië), moet de aanvrager de afstand van Madrid naar Rome berekenen (1 365,28 km) en vervolgens de toepasselijke reisafstandscategorie selecteren (bv. tussen 500 en 1 999 km).    

  11. https://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/resources/distance-calculator_nl

  12. Indien bijvoorbeeld iemand uit Madrid (Spanje) deelneemt aan een activiteit in Rome (Italië), moet de aanvrager de afstand van Madrid naar Rome berekenen (1 365,28 km) en vervolgens de toepasselijke reisafstandscategorie selecteren (bv. tussen 500 en 1 999 km).    

  13. https://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/resources/distance-calculator_nl

  14. In het geval van hoger onderwijs zijn de kosten voor het personeel dat in dienst is bij faculteiten van begunstigde instellingen voor hoger onderwijs met een ECHE-accreditatie subsidiabel onder de kostencategorie “Projectresultaten”.

  15. In het geval van hoger onderwijs zijn de kosten voor het personeel dat in dienst is bij faculteiten van begunstigde instellingen voor hoger onderwijs met een ECHE-accreditatie subsidiabel onder de rubriek “Projectresultaten’