Skip to main content

Erasmus+

EU programme for education, training, youth and sport

Deze webpagina geeft nog geen weergave van de inhoud van de programmagids van Erasmus+ 2022. Maar u kunt de volledige gids voor 2022 in de door u gekozen taal in pdf-formaat downloaden door te klikken op “Download” op de rechterkant van deze pagina.

Stap 2: nagaan of aan de criteria van het programma wordt voldaan

Gedurende de ontwikkeling van hun project en alvorens de aanvraag voor EU-financiering in te dienen, moeten de aanvragers nagaan of zijzelf en hun project voldoen aan de volgende criteria: toelatings-, subsidiabiliteits-, uitsluitings-, selectie- en toekenningscriteria.

Toelatingscriteria

De aanvragen moeten uiterlijk op de in de oproep genoemde uiterste datum voor indiening van aanvragen zijn verzonden.

  • Voor door het Uitvoerend Agentschap beheerde acties moeten de aanvragen langs elektronische weg worden ingediend via het elektronisch indieningssysteem van het portaal Funding & tenders: https://ec.europa.eu/info/funding-tenders/opportunities/portal/screen/home. Aanvragen (inclusief bijlagen en bewijsstukken) moeten worden ingediend met behulp van de in het indieningssysteem ter beschikking gestelde formulieren. De aanvragen zijn beperkt tot 40 pagina’s voor oproepen voor subsidies van geringe waarde (60 000 of lager); en tot 70 voor alle andere oproepen. Extra pagina’s worden niet in overweging genomen door de evaluatoren.
  • Voor door de nationale agentschappen van Erasmus+ beheerde acties moeten de aanvragen langs elektronische weg worden ingediend via de formulieren die ter beschikking gesteld zijn op de Erasmus+-website en de websites van de nationale agentschappen van Erasmus+.

De aanvragen moeten leesbaar en toegankelijk zijn.

Aanvragen moeten volledig zijn en alle onderdelen en verplichte bijlagen bevatten. Alleen schrijffouten kunnen op verzoek van het agentschap dat de aanvraag beheert, worden rechtgezet na het verstrijken van de uiterste indieningstermijn.  

Subsidiabiliteitscriteria

De subsidiabiliteitscriteria worden gebruikt om te bepalen of de aanvrager kan deelnemen aan een oproep tot het indienen van voorstellen en een voorstel voor een actie kan indienen. De criteria zijn van toepassing op de aanvragers en de activiteiten waarvoor de subsidie wordt toegekend: (bv. het soort project en/of activiteit, de uitvoeringsperiode, het profiel en/of het aantal betrokken deelnemers).

Om in aanmerking te komen voor financiële steun, moeten de aanvrager en het project voldoen aan alle subsidiabiliteitscriteria die betrekking hebben op de actie waarvoor het voorstel wordt ingediend. Voldoet het project in de aanvraagfase niet aan deze subsidiabiliteitscriteria, dan wordt het afgewezen zonder verdere evaluatie. Indien tijdens de uitvoering of bij de eindrapportage blijkt dat niet aan deze criteria is voldaan, kunnen de activiteiten als niet subsidiabel worden aangemerkt, met als gevolg een terugvordering van de aanvankelijk aan het project toegekende EU-subsidie.

In deel B van de programmagids wordt nader omschreven welke specifieke subsidiabiliteitscriteria van toepassing zijn op alle via het Erasmus+-programma uitgevoerde acties.

Uitsluitingscriteria

Overeenkomstig de artikelen 136-141 van het Financieel Reglement worden aanvragers uitgesloten van inschrijving bij oproepen tot het indienen van voorstellen in het kader van het Erasmus+-programma indien zij in een van de hieronder beschreven uitsluitingssituaties verkeren:

a) de aanvrager is failliet of is onderworpen aan insolventie- of liquidatieprocedures, zijn activa worden beheerd door een curator of een gerecht, hij heeft een regeling met schuldeisers getroffen, zijn werkzaamheden zijn gestaakt of hij verkeert in een vergelijkbare toestand als gevolg van een soortgelijke procedure uit hoofde van EU-wetgeving of nationale wetgeving; b)

in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de aanvrager zijn verplichtingen met betrekking tot de betaling van belastingen of socialezekerheidsbijdragen overeenkomstig het toepasselijke recht niet is nagekomen;

c) in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de aanvrager een ernstige beroepsfout heeft gemaakt doordat hij de toepasselijke wet- of regelgeving of de ethische normen van de beroepsgroep waartoe hij behoort heeft overtreden, of doordat hij onrechtmatig gedrag heeft vertoond dat invloed heeft op zijn professionele geloofwaardigheid wanneer dit gedrag voortvloeit uit kwaad opzet of grove nalatigheid, met name:

i. het op frauduleuze of nalatige wijze afleggen van valse verklaringen over de informatie die wordt verlangd voor de verificatie van de afwezigheid van gronden voor uitsluiting, of voor de vervulling van subsidiabiliteits- of selectiecriteria, of bij de uitvoering van de wettelijke verbintenis;

ii. het sluiten van een overeenkomst met andere personen of entiteiten met als doel de mededinging te vervalsen;

iii. het schenden van intellectuele-eigendomsrechten;

iv. het pogen de besluitvorming van de ordonnateur die verantwoordelijk is tijdens de gunningsprocedure te beïnvloeden;

v. het pogen vertrouwelijke informatie te verkrijgen die de aanvrager onrechtmatige voordelen kan opleveren in de gunningsprocedure;

d) in een definitieve rechterlijke beslissing is vastgesteld dat de aanvrager zich schuldig heeft gemaakt aan een van de volgende feiten:

i. fraude in de zin van artikel 3 van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad[1] en artikel 1 van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, vastgesteld bij akte van de Raad van 26 juli 1995[2];

ii. corruptie zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 2, van Richtlijn (EU) 2017/1371 of actieve corruptie in de zin van artikel 3 van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, vastgesteld bij akte van de Raad van 26 mei 1997[3], of gedragingen zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, van Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad[4], of corruptie zoals gedefinieerd in andere toepasselijke wetgeving;

iii. gedragingen gerelateerd aan een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 2 van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad[5];

iv. witwassen van geld of terrorismefinanciering in de zin van artikel 1, leden 3, 4 en 5, van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad[6];

v. terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten in de zin van respectievelijk de artikelen 1 en 3 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ[7] van de Raad , dan wel uitlokking van, medeplichtigheid aan of poging tot het plegen van een zodanig misdrijf of strafbaar feit als bedoeld in artikel 4 van genoemd besluit;

vi kinderarbeid of andere strafbare feiten op het gebied van mensenhandel als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad[8];

e) de aanvrager is aanzienlijk tekortgeschoten in de nakoming van belangrijke verplichtingen bij de uitvoering van een wettelijke verbintenis die uit het budget gefinancierd is, wat:

i. heeft geleid tot de vroegtijdige beëindiging van een wettelijke verbintenis;

ii. heeft geleid tot de oplegging van een schadevergoeding of andere contractuele sancties; of;

iii. is ontdekt door een ordonnateur, OLAF of de Rekenkamer na toetsen, audits of onderzoek;

f) in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de aanvrager een onregelmatigheid in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad heeft begaan[9];

g) in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de aanvrager een entiteit heeft opgericht in een ander rechtsgebied met de bedoeling om fiscale, sociale of enige andere wettelijke verplichtingen in het rechtsgebied van zijn vestigingsplaats, de plaats van zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging te omzeilen;

h) in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat een entiteit is opgericht met de bedoeling zoals omschreven in punt g);

i) bij gebreke aan een definitieve rechterlijke beslissing of, in voorkomend geval, een definitief administratief besluit, bevindt de aanvrager zich in een van de hierboven in c), d), f), g) en h) vermelde situaties, op grond van met name:

i. feiten die zijn vastgesteld in het kader van audits of onderzoek uitgevoerd door het EOM, voor de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking volgens Verordening (EU) 2017/1939, de Rekenkamer, OLAF of de interne auditor, of enige andere toets, audit of controle uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de ordonnateur;

ii. niet-definitieve administratieve besluiten die tuchtmaatregelen kunnen omvatten welke zijn genomen door het bevoegde toezichthoudende orgaan dat verantwoordelijk is voor de verificatie van de toepassing van normen inzake beroepsethiek;

iii. feiten die worden vermeld in besluiten van personen en entiteiten die middelen van de EU uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c);

iv. informatie die overeenkomstig artikel 142, lid 2, onder d), van het Financieel Reglement van de EU wordt doorgegeven door entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder b), van het Financieel Reglement van de EU.

v. besluiten van de Commissie betreffende schending van de mededingingsregels van de Unie of van een nationale bevoegde instantie betreffende de schending van het mededingingsrecht van de Unie of van het nationale mededingingsrecht.

vi. besluiten houdende uitsluiting genomen door een ordonnateur van een EU-instelling, een Europees bureau of een EU-agentschap of –orgaan;

j) een aanvrager zoals bedoeld in artikel 135, lid 2, wanneer:

i. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die lid is van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de aanvrager zoals bedoeld in artikel 135, lid 2, of die vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid ten aanzien van die aanvrager heeft, zich in een of meer van de situaties hierboven vermeld in de punten c) tot en met h) bevindt;

ii. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de aanvrager zoals bedoeld in artikel 135, lid 2, zich in een of meer van de situaties hierboven vermeld in de punten a) of b) bevindt;

iii. een natuurlijke persoon die essentieel is voor de toekenning of voor de uitvoering van de wettelijke verbintenis, zich in een of meer van de situaties hierboven vermeld in de punten c) tot en met h) bevindt;

 

Indien een aanvrager zich in een van de bovengenoemde uitsluitingssituaties bevindt, moet hij zijn betrouwbaarheid aantonen door aan te geven welke maatregelen hij heeft genomen om de uitsluitingssituatie te corrigeren. Het kan bijvoorbeeld gaan om technische, organisatorische en personeelsgerelateerde maatregelen om herhaling te voorkomen, de vergoeding van schade of de betaling van boeten. Dat geldt niet voor de in punt d) van dit deel bedoelde gevallen.

In de gevallen zoals vermeld in de punten c) tot en met h) hierboven kan het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap, bij gebreke aan een definitieve rechterlijke beslissing of, in voorkomend geval, een definitief administratief besluit, een aanvrager voorlopig uitsluiten van inschrijving bij uitnodigingen tot het indienen van voorstellen.

Als de actie wordt uitgevoerd door een aanvrager met gelieerde entiteiten moeten zij ook voldoen aan dezelfde uitsluitingscriteria als de hoofdaanvrager.

Een aanvrager kan worden uitgesloten van de toekenningsprocedure indien de verklaringen of inlichtingen die als voorwaarde voor deelname aan de procedure worden verlangd, vals of onjuist blijken te zijn.

Het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap mag op zijn website de volgende informatie publiceren met betrekking tot de uitsluiting en, in voorkomend geval, financiële sanctie in de gevallen als hierboven bedoeld in de punten c) tot en met h):

a) naam van de betrokken aanvrager;

b) de uitsluitingssituatie;

c) de duur van de uitsluiting en/of het bedrag van de financiële sanctie.

Deze uitsluitingscriteria zijn van toepassing op de aanvragers die voorstellen indienen voor alle acties van het Erasmus+-programma. Om te bevestigen dat zij niet in een van de hierboven vermelde situaties verkeren, moeten aanvragers van een EU-subsidie een verklaring op erewoord overleggen. Deze verklaring op erewoord vormt een specifiek onderdeel van of een bijlage bij het aanvraagformulier.

In het geval van voorstellen die namens een consortium worden ingediend, zijn de hierboven opgesomde uitsluitingscriteria van toepassing op alle deelnemende leden die bij het project betrokken zijn.

Overeenkomstig artikel 136, lid 1, punt e), en artikel 138, lid 1, van het Financieel Reglement, kunnen financiële sancties worden opgelegd aan ontvangers van EU-middelen waarmee een wettelijke verbintenis is aangegaan en die aanzienlijk zijn tekortgeschoten in de nakoming van belangrijke verplichtingen bij de uitvoering van een wettelijke verbintenis die door de EU gefinancierd is.

Bovendien gaat de Commissie ervan uit dat voor de uitvoering van de door de programmagids bestreken acties de volgende entiteiten in een belangenconflict verkeren of zouden kunnen verkeren en bijgevolg niet in aanmerking komen of zouden kunnen komen voor deelname:

  • nationale autoriteiten die belast zijn met het toezicht op nationale agentschappen en de tenuitvoerlegging van het Erasmus+-programma in hun land; zij mogen geen steun aanvragen voor, noch deelnemen aan acties die door nationale agentschappen van een willekeurig land worden beheerd; wel mogen zij (als aanvrager of partner) een aanvraag indienen voor deelname aan door het Uitvoerend Agentschap of door DG EAC beheerde acties, tenzij zij uitdrukkelijk van deelname aan de betrokken actie uitgesloten zijn (zoals vermeld in deel B van de gids);
  • nationale agentschappen (de enige activiteit van hun juridische entiteit) of afdelingen van nationale agentschappen die behoren tot juridische entiteiten die zich bezighouden met activiteiten die niet onder de bevoegdheid van de nationale agentschappen vallen, kunnen geen aanvraag doen voor of deelnemen aan de uitvoering van een door deze gids bestreken actie;
  • instanties en netwerken die uit hoofde van het Erasmus+-programma of een jaarlijks werkprogramma dat door de Commissie is vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van het Erasmus+-programma, zijn geïdentificeerd of aangewezen om met name een financiële bijdrage van de Commissie te ontvangen in het kader van de tenuitvoerlegging van het Erasmus+-programma, en die onder dezelfde juridische entiteit ressorteren als het nationaal agentschap, mogen geen steun aanvragen voor, noch deelnemen aan acties die door nationale agentschappen van Erasmus+ van een willekeurig land worden beheerd; wel mogen zij (als aanvrager of partner) een aanvraag indienen voor deelname aan door het Uitvoerend Agentschap of door DG EAC beheerde acties, tenzij zij uitdrukkelijk van deelname aan de betrokken actie uitgesloten zijn (zoals vermeld in deel B van de gids); voordat zij een subsidie of contract krijgen, moeten zij kunnen aantonen dat zij niet in een belangenconflict verkeren, hetzij omdat zij voorzorgsmaatregelen hebben genomen, hetzij omdat hun interne organisatie een duidelijke scheiding van belangen waarborgt. Bovendien moeten de kosten en ontvangsten van elke actie of activiteit waarvoor de EU-middelen worden toegekend, worden geïdentificeerd. Het besluit of met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat zij niet in een feitelijk belangenconflict verkeren, behoort tot de bevoegdheid van het Uitvoerend Agentschap of DG EAC, onder hun eigen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, waarbij zij hun aanvraag indienen;
  • juridische entiteiten die optreden als gastheer voor de nationale agentschappen van Erasmus+ maar zich toeleggen op andere activiteiten binnen of buiten het terrein van het Erasmus+-programma, alsook de aan die juridische entiteiten gelieerde entiteiten, mogen geen steun aanvragen voor, noch deelnemen aan acties die door nationale agentschappen van een willekeurig land worden beheerd; wel mogen zij in principe een aanvraag indienen voor deelname aan door het Uitvoerend Agentschap of DG EAC beheerde acties, tenzij zij uitdrukkelijk van deelname aan de betrokken actie uitgesloten zijn (zoals vermeld in deel B van de gids). Voordat zij een subsidie of contract krijgen, moeten zij echter kunnen aantonen dat zij niet in een belangenconflict verkeren, hetzij omdat zij voorzorgsmaatregelen hebben genomen, hetzij omdat hun interne organisatie een duidelijke scheiding van belangen waarborgt (bijvoorbeeld gescheiden boekhouding, scheiding van besluitvormingsprocedures en rapportagelijnen, maatregelen om toegang tot vertrouwelijke informatie te beletten). Bovendien moeten de kosten en ontvangsten van elke actie of activiteit waarvoor de EU-middelen worden toegekend, worden geïdentificeerd. Het besluit of met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat zij niet in een feitelijk belangenconflict verkeren, behoort tot de bevoegdheid van de instelling, onder hun eigen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, waarbij zij hun aanvraag indienen.

Selectiecriteria

Het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap evalueert aan de hand van de selectiecriteria of de aanvrager over voldoende financiële draagkracht en operationele capaciteit beschikt om het voorgestelde project te voltooien.

Financiële capaciteit

Financiële draagkracht houdt in dat de aanvragers over solide financieringsbronnen beschikken die toereikend zijn om hun werkzaamheden gedurende de periode waarin het project wordt uitgevoerd of het jaar waarvoor de subsidie is toegekend, te kunnen handhaven en aan de financiering ervan bij te dragen.

De verplichting om de financiële draagkracht te laten verifiëren, geldt niet voor:

  • publieke organen, met inbegrip van organisaties van de lidstaten [10];
  • internationale organisaties;
  • indien het individuele gevraagde subsidiebedrag niet meer dan 60 000 EUR bedraagt.

Wat betreft EU-subsidieaanvragen voor een steunbedrag van ten hoogste 60 000 EUR die worden ingediend door een andere soort entiteit dan de bovengenoemde, moeten de aanvragers een verklaring op erewoord overleggen waarin zij bevestigen over voldoende financiële draagkracht te beschikken om het project uit te voeren. Deze verklaring op erewoord vormt een specifiek onderdeel van het aanvraagformulier.

Wat betreft EU-subsidieaanvragen voor een steunbedrag van meer dan 60 000 EUR die worden ingediend door een andere soort entiteit dan de bovengenoemde, moeten de aanvragers naast de verklaring op erewoord de volgende documenten indienen via het portaal Funding & tender opportunities/registratiesysteem voor organisaties:

    • de winst-en-verliesrekening van de aanvrager;
    • de balans voor het laatste afgesloten boekjaar.
    • Andere documenten, indien daarom werd verzocht.

Voor meer informatie betreffende de acties beheerd door het Uitvoerend Agentschap, zie “Regels betreffende validering juridische entiteit, AVE-aanstelling en beoordeling financiële draagkracht”: https://ec.europa.eu/info/funding-tenders/opportunities/docs/2021-2027/common/guidance/rules-lev-lear-fca_nl.pdf

Wanneer de aanvraag betrekking heeft op subsidies voor een actie waarvoor het bedrag hoger is dan 750 000 EUR, kan in aanvulling op het bovenstaande een auditverslag van een erkende externe accountant worden vereist. Dit verslag certificeert de rekeningen van het laatste beschikbare boekjaar.

Entiteiten die de hierboven genoemde documenten niet kunnen overleggen omdat ze nieuw opgericht zijn, mogen in plaats daarvan een raming van de financiële gegevens/financiële verklaring of een verzekeringsverklaring met opgave van de financiële risico’s van de aanvrager indienen.

De aanvragers moeten deze documenten ofwel uploaden naar het portaal Funding & tender opportunities/registratiesysteem voor organisaties op het moment van hun registratie (zie het deel Stap 1: Registreer de organisatie” hierboven) of wanneer ze worden gecontacteerd door de valideringsdiensten van de EU die de aanvrager vragen om de nodige ondersteunende documenten aan te leveren. Voor gecentraliseerde acties wordt dit verzoek verstuurd via het berichtensysteem dat onderdeel is van het respectieve systeem.

In het geval van voorstellen die namens een consortium worden ingediend en indien bij het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap twijfel bestaat over de financiële draagkracht van het consortium, moet een risicobeoordeling worden uitgevoerd waarbij dezelfde documenten als hierboven mogen worden opgevraagd van alle deelnemende organisaties in het consortium. Dit is van toepassing ongeacht de toegekende subsidie.

Blijkt na de analyse van deze documenten dat de vereiste financiële draagkracht zwak is, dan mag het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap:

  • om aanvullende informatie verzoeken
  • een versterkte regeling voor de financiële verantwoordelijkheid eisen, d.w.z. gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid voor alle medebegunstigden of gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid van de gelieerde entiteiten
  • besluiten om de voorfinanciering in termijnen uit te betalen
  • besluiten om (een of meerdere malen) een door een bankgarantie gedekte voorfinanciering uit te betalen of
  • besluiten om geen voorfinanciering toe te kennen

Als de financiële draagkracht ontoereikend blijkt, wordt het overeenkomstige voorstel verworpen.

Operationele capaciteit

Operationele capaciteit houdt in dat de aanvragers over de vereiste beroepsbekwaamheden en kwalificaties beschikken om het voorgestelde project tot een goed einde te brengen. De aanvragers moeten over de kennis, kwalificaties en middelen beschikken om de projecten succesvol uit te voeren en hun bijdrage te leveren (met inbegrip van voldoende ervaring met projecten van een vergelijkbare omvang en aard). Publiekrechtelijke lichamen, organisaties van lidstaten en internationale organisaties zijn van de controle van de operationele capaciteit vrijgesteld.

Voor aanvragen die worden ingediend bij de nationale agentschappen:

De aanvragers moeten een verklaring op erewoord overleggen waarin zij bevestigen over de vereiste operationele capaciteit te beschikken om het project uit te voeren. Wanneer het aanvraagformulier dat voorschrijft en indien de subsidie hoger is dan 60 000 EUR, kan de aanvragers bovendien worden gevraagd de cv’s te bezorgen van de bij het project betrokken sleutelpersonen om aan te tonen dat zij de vereiste beroepservaring bezitten, of andere ondersteunende documenten, bijvoorbeeld:

  • een lijst met relevante publicaties van het hoofdteam;
  • een uitputtende lijst van eerder uitgevoerde projecten en activiteiten die verband houden met het betreffende beleidsterrein of met deze specifieke actie.

Daarnaast moeten aanvragers van accreditatie op het gebied van volwasseneneducatie, beroepsonderwijs en -opleiding, schoolonderwijs en jeugdzaken minstens twee jaar ervaring hebben met het uitvoeren van activiteiten om de accreditatie te kunnen aanvragen. De ervaring die is opgedaan vóór fusies of soortgelijke structurele wijzigingen binnen overheidsinstanties (bijvoorbeeld scholen of onderwijscentra), zal als relevante ervaring in de zin van deze clausule in aanmerking worden genomen.

Voor coördinatoren van een mobiliteitsconsortium: de aanvrager moet in staat zijn om het consortium te coördineren overeenkomstig het voorgestelde Erasmus-plan, het doel van het consortium, de geplande taakverdeling en de kwaliteitsnormen voor Erasmus (zoals toegelicht op de Europa-website: https://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/sites/erasmusplus2/files/eac-a02-2020-quality-standards.pdf).

Bovenstaande voorwaarden worden geverifieerd op basis van de aanvraag (met inbegrip van informatie over de vorige deelname van de aanvrager aan het Erasmus+-programma 2014‑2020) en de documenten die zijn ingediend in het registratiesysteem voor organisaties. Aanvragers die de in het aanvraagformulier gevraagde informatie niet invullen, kunnen op grond daarvan worden uitgesloten.

Voor aanvragen die worden ingediend bij het Uitvoerend Agentschap:

De operationele capaciteit zal parallel aan het toekenningscriterium “Kwaliteit” worden beoordeeld aan de hand van de competenties en ervaring van de aanvragers en hun projectteams, met inbegrip van operationele middelen (personeel, technische middelen en andere).

De aanvragers worden geacht over voldoende operationele capaciteit te beschikken wanneer is voldaan aan de in de oproep tot het indienen van voorstellen vastgestelde vereisten met betrekking tot de operationele capaciteit.

Aanvragers zullen hun capaciteit moeten aantonen door middel van de volgende informatie in het aanvraagformulier (deel B):

  • algemene profielen (kwalificaties en ervaring) van de personeelsleden die verantwoordelijk zijn voor het beheer en de uitvoering van het project
  • beschrijving van de deelnemers in het consortium
  • lijst van door de EU gesubsidieerde projecten van de afgelopen vier jaar.

Het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap behoudt zich het recht voor aanvullende bewijsstukken te vragen om de informatie in de aanvraag te verifiëren.

Toekenningscriteria

Aan de hand van de toekenningscriteria kan het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap de kwaliteit beoordelen van de in het kader van het Erasmus+-programma ingediende projectvoorstellen.

Voorstellen die de afzonderlijke drempels én de totale kwaliteitsdrempel halen, komen voor financiering in aanmerking, binnen de limieten van het voor de oproep beschikbare budget. De rest van de voorstellen zal worden afgewezen.

In deel B van de programmagids wordt nader omschreven welke specifieke toekenningscriteria gelden voor alle in het kader van het Erasmus+-programma uitgevoerde acties.

  1. Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).

  2. PB C 316 van 27.11.1995, blz. 48.

  3. PB C 195 van 25.6.1997, blz. 1.

  4. Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de bestrijding van corruptie in de privésector (PB L 192 van 31.7.2003, blz. 54).

  5. Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (PB L 300 van 11.11.2008, blz. 42).

  6. Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).

  7. Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (PB L 164 van 22.6.2002, blz. 3).

  8. Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1).

  9. Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).

  10. Met inbegrip van scholen, instellingen voor hoger onderwijs en organisaties op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugdzaken en sport die gedurende de afgelopen twee jaar meer dan 50 % van hun jaarlijkse inkomsten uit publieke bronnen hebben ontvangen; zij worden geacht over de nodige financiële draagkracht, beroepsbekwaamheid en administratieve capaciteit te beschikken om de activiteiten in het kader van het programma uit te voeren.

.foot {font-size: 0.8em; margin-left: 2.5em; border-top: 1px solid black;} table, td, tr{border: 1px solid black; cellpadding="1"; cellspacing="1";} table{margin-bottom: 30px;}