Skip to main content

Erasmus+

EU programme for education, training, youth and sport

Deze webpagina geeft nog geen weergave van de inhoud van de programmagids van Erasmus+ 2022. Maar u kunt de volledige gids voor 2022 in de door u gekozen taal in pdf-formaat downloaden door te klikken op “Download” op de rechterkant van deze pagina.

Mobiliteitsproject voor hogeronderwijsstudenten en -personeel

Deze actie ondersteunt de fysieke en gemengde mobiliteit van hogeronderwijsstudenten in elk studiegebied en in elke cyclus (korte cyclus, bachelor-, master- en doctoraatsniveau). Studenten kunnen in het buitenland studeren bij een partnerinstelling voor hoger onderwijs of een stage volgen in een onderneming, een onderzoeksinstelling, een laboratorium, een organisatie of een andere relevante werkplek in het buitenland. Studenten kunnen tevens een studieperiode in het buitenland combineren met een stage en zo hun leerresultaten en de ontwikkeling van transversale vaardigheden verbeteren. Hoewel langdurige fysieke mobiliteit sterk wordt aangespoord, is deze actie tevens gericht op de behoefte aan een flexibelere periode van fysieke mobiliteit teneinde te waarborgen dat het programma toegankelijk is voor studenten met alle mogelijke achtergronden, in verschillende situaties en in verschillende studiegebieden.

De actie stelt onderwijzend personeel in het hoger onderwijs en administratief personeel bovendien in staat deel te nemen aan activiteiten op het gebied van beroepsontwikkeling, en maakt het voor personeel uit het beroepsleven mogelijk studenten of personeel van instellingen voor hoger onderwijs te onderwijzen of op te leiden. Deze activiteiten kunnen zowel onderwijs- als opleidingsperioden beslaan (zoals job shadowing, observatieperioden, opleidingscursussen).

Bovendien wordt in het kader van deze actie steun verleend voor intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs, waardoor groepen van instellingen voor hoger onderwijs gezamenlijk curricula voor gemengde mobiliteit en activiteiten voor zowel studenten als academisch en administratief personeel kunnen ontwikkelen.

Doelstellingen van de actie

Deze actie heeft tot doel bij te dragen aan de totstandbrenging van een Europese onderwijsruimte, de koppeling tussen onderwijs en onderzoek te versterken, en het vermogen tot kritisch denken van studenten in alle disciplines en op alle niveaus (met inbegrip van bachelor-, master- en doctoraatsniveau) te stimuleren. Daarnaast is de actie gericht op het bevorderen van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, sociale integratie, maatschappelijke betrokkenheid, innovatie en ecologische duurzaamheid in heel Europa en daarbuiten, door studenten de kans te geven als onderdeel van hun studie in het buitenland te studeren of een opleiding te volgen teneinde:

  • kennis te maken met andere denkbeelden, kennis, onderwijs- en onderzoeksmethoden, evenals werkpraktijken binnen hun studiegebied;
  • transversale vaardigheden te ontwikkelen, zoals interculturele en onderzoeksvaardigheden, alsook vaardigheden op het gebied van communicatie, taal en probleemoplossend denken;
  • toekomstgerichte vaardigheden te ontwikkelen, waaronder digitale vaardigheden, waarmee ze huidige en toekomstige uitdagingen het hoofd kunnen bieden;
  • persoonlijke ontwikkeling te bevorderen, zoals zelfvertrouwen en het vermogen zich aan nieuwe situaties aan te passen.

Het doel is voorts om personeel, met inbegrip van personeelsleden van ondernemingen, in staat te stellen in het buitenland les te geven of een opleiding te volgen als onderdeel van hun beroepsontwikkeling, teneinde:

  • hun kennis te delen;
  • kennis te maken met nieuwe onderwijsomgevingen;
  • nieuwe innovatieve pedagogische vaardigheden, curriculumontwerpvaardigheden en digitale vaardigheden op te doen;
  • contact te leggen met leeftijdgenoten in het buitenland om zo gemeenschappelijke activiteiten te ontwikkelen voor het verwezenlijken van de doelstellingen van het programma;
  • goede praktijken uit te wisselen en de samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs te bevorderen;
  • studenten beter voor te bereiden op het beroepsleven door personeel van bedrijven bij de cursussen te betrekken.

De actie heeft voorts tot doel de ontwikkeling van transnationale en disciplineoverschrijdende curricula en innovatieve onderwijs- en leermethoden — met inbegrip van onlinesamenwerking, onderzoeksgebaseerd leren en probleemgerichte benaderingen — te bevorderen teneinde maatschappelijke uitdagingen het hoofd te kunnen bieden.

Hoe krijgt u toegang tot de mobiliteitskansen van erasmus+?

Alle aanvragende organisaties, met inbegrip van mobiliteitsconsortia, moeten gevestigd zijn in een programmaland en deelnemende instellingen voor hoger onderwijs (IHO’s) moeten de erkenning van het Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE)[1] hebben gekregen voor ze bij hun nationale Erasmus+-agentschappen een aanvraag voor een mobiliteitsproject kunnen indienen. Door het Erasmus-handvest voor hoger onderwijs te ondertekenen, verbinden instellingen voor hoger onderwijs zich ertoe deelnemers aan mobiliteit alle nodige steun te verlenen, inclusief taalkundige voorbereiding. Daartoe is een onlinedienst voor taalkundige ondersteuning ingevoerd voor alle mobiliteitsactiviteiten tussen de programmalanden en, waar mogelijk, met de partnerlanden. De Europese Commissie maakt deze dienst toegankelijk voor in aanmerking komende deelnemers, zodat zij hun kennis van vreemde talen kunnen verbeteren vóór en/of tijdens de mobiliteitsperiode.

Overeenkomstig de prioriteiten van het nieuwe programma zijn de beginselen van het handvest aangescherpt. Het handvest houdt onder meer een belofte in te verzekeren dat de resultaten van een leerperiode in het buitenland op het niveau van het hoger onderwijs in een programmaland automatisch en volledig worden erkend in de andere, ofwel zoals afgesproken in de studieovereenkomst en bevestigd in de officiële verklaring (“transcript of records”), ofwel overeenkomstig de leerresultaten van de modules die in het buitenland zijn afgelegd, zoals beschreven in de studiegids, in overeenstemming met het Europees studiepuntenoverdrachtsysteem (ECTS). Het handvest waarborgt voorts de toepassing van duurzame praktijken bij het uitvoeren van mobiliteitsprojecten en digitaal mobiliteitsbeheer overeenkomstig de normen van het Europees studentenkaart-initiatief.

De selectie van toekomstige deelnemers en de toekenning van subsidies door de deelnemende IHO moet op een eerlijke, transparante, samenhangende en goed gedocumenteerde wijze gebeuren, in overeenstemming met de bepalingen van de subsidieovereenkomst van de IHO met het nationaal agentschap. Dergelijke eerlijke en transparante procedures moeten worden gewaarborgd in alle fasen van de mobiliteit en bij het beantwoorden van vragen/klachten van deelnemers.

Het ECHE wordt aangevuld door de ECHE-richtsnoeren[2], een document dat instellingen voor hoger onderwijs ondersteunt bij het toepassen van de ECHE-beginselen en dat hiervoor grondig moet worden geraadpleegd. Instellingen voor hoger onderwijs moeten bij de toepassing van alle acties waarvoor deze accreditatie vereist is het ECHE en zijn begeleidende richtsnoeren eerbiedigen zoals het hoort.

Hoewel instellingen voor hoger onderwijs uit een partnerland niet in aanmerking komen om het ECHE te ondertekenen, moeten ze de ECHE-beginselen eerbiedigen. Details zoals de taalkundige ondersteuning, de erkenning van de leerresultaten en alle nodige steun die verleend wordt aan deelnemers aan mobiliteit moeten dan ook uitdrukkelijk worden vermeld in het interinstitutioneel akkoord.

Een project opzetten

De aanvragende organisatie vraagt subsidie aan voor het mobiliteitsproject, ondertekent en beheert de subsidieovereenkomst en brengt verslag uit. Dit betreft onder meer de mogelijkheid voor het aanvragen van financiële steun voor het organiseren van intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs, het vinden van partners voor het uitvoeren van deze programma’s en het verslag uitbrengen van de resultaten ervan.

De organisaties die deelnemen aan het mobiliteitsproject vervullen de volgende rollen en taken:

  • Uitzendende organisatie: selecteert studenten/personeelsleden en zendt ze uit naar het buitenland. Dit omvat ook subsidiebetalingen (voor organisaties uit programmalanden), voorbereiding, toezicht en automatische erkenning met betrekking tot de mobiliteitsperiode.
  • Ontvangende organisatie: ontvangt studenten/personeelsleden uit het buitenland en biedt ze een studie-/stageprogramma of een programma met opleidingsactiviteiten, of laat ze onderwijs geven.
  • Intermediaire organisatie: een organisatie die actief is op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdwerk in een programmaland. Deze organisatie kan lid zijn van een mobiliteitsconsortium zijn, maar is geen uitzendende organisatie. Haar rol kan erin bestaan de administratieve procedures van de uitzendende instellingen voor hoger onderwijs te delen en te vereenvoudigen, in het geval van stages de studentenprofielen beter af te stemmen op de behoeften van ondernemingen, en deelnemers gezamenlijk voor te bereiden.

De uitzendende en ontvangende organisaties moeten vóór het begin van de mobiliteitsperiode overeenstemming bereiken met de studenten/personeelsleden over de uit te voeren activiteiten, respectievelijk in een studieovereenkomst wat de studenten betreft en in een mobiliteitsovereenkomst wat de personeelsleden betreft. In deze studieovereenkomsten staan niet alleen de voor de leerperiode in het buitenland beoogde leerresultaten, maar ook bepalingen inzake de formele erkenning door alle partijen. De rechten en plichten zijn uiteengezet in de subsidieovereenkomst. Vindt de activiteit plaats tussen twee instellingen voor hoger onderwijs (studentenmobiliteit voor studiedoeleinden, met inbegrip van gemengde mobiliteit, en personeelsmobiliteit voor onderwijsdoeleinden), dan moeten de uitzendende en ontvangende instelling een “interinstitutioneel akkoord” sluiten voordat de uitwisseling kan beginnen.

Mobiliteit van ERASMUS+-programmalanden naar partnerlanden

Mobiliteit van programmalanden naar partnerlanden heeft een tweeledig doel. Ten eerste biedt deze mobiliteit studenten en personeel meer mogelijkheden om een internationale ervaring op te doen en om toekomstgerichte en andere relevante vaardigheden te verwerven over de hele wereld. Ten tweede stelt zij instellingen voor hoger onderwijs uit de programmalanden in staat een duurzame internationale samenwerking op de lange termijn uit te bouwen met partnerinstellingen uit partnerlanden.

Maximaal 20 % van de financiering die is toegekend aan elk mobiliteitsproject voor hoger onderwijs kan worden gebruikt voor het financieren van uitgaande mobiliteit van studenten en personeel van de in programmalanden gevestigde instellingen voor hoger onderwijs naar elk partnerland wereldwijd (regio’s 1‑14). Deze mogelijkheden moeten organisaties in programmalanden ertoe aanmoedigen om met verschillende partnerlanden uitgaande mobiliteitsactiviteiten te ontwikkelen en moeten een zo breed mogelijke geografische reikwijdte bestrijken.

Inclusie en diversiteit in het kader van mobiliteit in het hoger onderwijs

Teneinde studenten- en personeelsmobiliteit zo toegankelijk mogelijk te maken overeenkomstig de beginselen van het ECHE, moeten instellingen voor hoger onderwijs gelijke en billijke toegang en kansen waarborgen voor zowel huidige als toekomstige deelnemers met alle mogelijke achtergronden. Dat betekent dat ook kansarme deelnemers aan mobiliteit moeten kunnen deelnemen, zoals deelnemers met lichamelijke of geestelijke gezondheidsproblemen, studenten met kinderen, studenten die werken of professionele atleten zijn en studenten uit studiegebieden die ondervertegenwoordigd zijn bij mobiliteit. Het vaststellen van interne selectieprocedures waarbij rekening wordt gehouden met rechtvaardigheid en inclusie en de integrale toetsing van de aanvraag op academische verdienste en motivatie, is van essentieel belang voor de naleving van dit beginsel. Daarnaast worden instellingen voor hoger onderwijs aangespoord binnen hun curricula geïntegreerde mobiliteitskansen toe te passen, bijvoorbeeld in de vorm van mobiliteitsvensters, teneinde de deelname van studenten in alle studiegebieden te bevorderen. Gemengde mobiliteit kan in dit opzicht aanvullende mogelijkheden bieden die beter geschikt zijn voor bepaalde personen of groepen van studenten. In dat verband helpt het om binnen de instellingen voor hoger onderwijs diversiteitsmedewerkers te hebben om inclusie en diversiteit aan de orde te stellen. Zo kunnen inclusiefunctionarissen helpen bij het vergroten van het bewustzijn en het uitstippelen van strategieën met betrekking tot communicatie en voorlichting, toereikende ondersteuning gedurende het gehele mobiliteitsproces waarborgen in samenwerking met de betreffende collega’s, en de samenwerking bevorderen tussen de betreffende personeelsleden binnen de instelling die deskundig zijn op het gebied van inclusie en diversiteit.

Ecologische duurzaamheid en groene praktijken in het kader van mobiliteit in het hoger onderwijs

Overeenkomstig de beginselen van het ECHE moeten instellingen voor hoger onderwijs milieuvriendelijke praktijken bevorderen bij alle activiteiten die verband houden met het programma. Dat houdt in dat zij het gebruik van duurzame vervoersmiddelen voor mobiliteit bevorderen, actieve stappen ondernemen om evenementen, conferenties en vergaderingen met betrekking tot Erasmus+-mobiliteit op een milieuvriendelijkere manier te organiseren en administratieve processen die normaal op papier gebeuren vervangen door digitale processen (in overeenstemming met de normen van het Europees studentenkaart-initiatief). Instellingen voor hoger onderwijs moeten voorts alle deelnemers beter bekend maken met de reeks maatregelen die ze tijdens hun verblijf in het buitenland kunnen nemen om de koolstof- en ecologische voetafdruk van hun mobiliteitsactiviteiten te verkleinen en hun vorderingen te monitoren bij het verwezenlijken van een meer duurzame vorm van studenten- en personeelsmobiliteit.

Digitalisering en digitaal onderwijs en vaardigheden bij mobiliteit in het hoger onderwijs

In overeenstemming met de beginselen van het ECHE, moeten instellingen voor hoger onderwijs digitaal beheer van studentenmobiliteit implementeren overeenkomstig de technische normen van het Europees studentenkaart-initiatief. Dat betekent dat aan het programma deelnemende instellingen voor hoger onderwijs verbinding moeten maken met het netwerk voor een papierloos Erasmus+ om mobiliteitsgegevens uit te wisselen en onlinestudieovereenkomsten en digitale interinstitutionele akkoorden te beheren zodra deze functies operationeel zijn voor de verschillende mobiliteitsactiviteiten tussen programmalanden en van programma- naar partnerlanden. Instellingen voor hoger onderwijs kunnen hun organisatorische subsidiesteun inzetten voor de uitvoering van digitaal mobiliteitsbeheer. De instellingen moeten gemengde mobiliteit — oftewel fysieke mobiliteit in combinatie met een virtuele component — bevorderen teneinde flexibelere mobiliteitsvormen te kunnen bieden, de leerresultaten verder te verbeteren en de effecten van de fysieke mobiliteit te verhogen. Voor deelname aan gemengde mobiliteit, met inbegrip van de virtuele component, moeten instellingen voor hoger onderwijs de kwaliteit van gemengde mobiliteitsactiviteiten en formele erkenning waarborgen. De instellingen moeten de mogelijkheden binnen het programma om relevante digitale vaardigheden in alle studiegebieden te verwerven en verder te ontwikkelen ook onder de aandacht brengen bij hun studenten en personeel, met inbegrip van Digital Opportunity Traineeships voor studenten en pas afgestudeerden om digitale vaardigheden verder te ontwikkelen of te verwerven[3]. Ook onderwijzend en administratief personeel kan voordeel halen uit op digitale vaardigheden gerichte opleidingsprogramma’s met het oog op de inzet van digitale technologieën in cursussen en het digitaliseren van administratieve processen.

Beschrijving van de activiteiten en specifieke criteria

Studentenmobiliteit

Studentenmobiliteit kan plaatsvinden vanuit elk programmaland naar elk ander programma- of partnerland en in eender welk studiegebied en eender welke studiecyclus (korte cyclus, bachelor, master, doctoraal). Om zeker te stellen dat de mobiliteitsactiviteiten van hoge kwaliteit zijn en een maximaal effect sorteren op de studenten, moet de mobiliteitsactiviteit in overeenstemming zijn met de leerdoelen van de student in de te behalen graad en met diens persoonlijke ontwikkelingsbehoeften.

Studenten kunnen de hieronder beschreven activiteiten uitvoeren:

  • een studieperiode in het buitenland bij een partnerinstelling voor hoger onderwijs. De studieperiode in het buitenland moet onderdeel zijn van het studieprogramma dat de student volgt voor het behalen van een diploma in welke cyclus dan ook. Een studieperiode in het buitenland kan ook een stageperiode omvatten. Een dergelijke combinatie creëert synergieën tussen de academische en professionele ervaring in het buitenland;
  • een stage in het buitenland in een onderneming, een onderzoeksinstelling, een laboratorium, een organisatie, of een andere relevante werkplek. Stages in het buitenland worden ondersteund voor studies in iedere studiecyclus en voor pas afgestudeerden. Dit omvat onder meer assistentschappen voor docenten in opleiding en onderzoeksassistentschappen voor studenten en doctoraatskandidaten in relevante onderzoeksinstellingen. Teneinde de synergieën met Horizon Europa verder te versterken, kunnen deze mobiliteitsactiviteiten ook plaatsvinden in het kader van vanuit Horizon Europa gefinancierde onderzoeksprojecten met volledige inachtneming van het beginsel van het verbod op dubbele EU-financiering. Waar mogelijk moeten de stages een geïntegreerd onderdeel uitmaken van het studieprogramma van de student.
  • Mobiliteit op doctoraatsniveau

Om beter te kunnen beantwoorden aan de diverse leer- en opleidingsbehoeften van promovendi en gelijke kansen te waarborgen, kunnen promovendi en pas afgestudeerden (“postdocs”)[4] kortlopende of langlopende fysieke perioden van studie- of stagemobiliteit in het buitenland volgen. Het toevoegen van een virtuele component aan de fysieke mobiliteit wordt aangemoedigd.

  • Gemengde mobiliteit

Elke studie- of stageperiode in het buitenland, met inbegrip van mobiliteit van promovendi, kan ongeacht de duur worden uitgevoerd als gemengde mobiliteit. Gemengde mobiliteit verwijst naar een combinatie van fysieke mobiliteit met een virtuele component die een online leeruitwisseling in samenwerkingsverband en teamwerk bevordert. Zo kan de virtuele component bijvoorbeeld lerenden uit verschillende landen en studiegebieden online samenbrengen voor het volgen van onlinecursussen of om samen en gelijktijdig aan opdrachten te werken die erkend zijn als onderdeel van hun studie.

Alle studenten kunnen ook gemengde mobiliteit volgen door deel te nemen aan een intensief programma voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs.

Studenten (korte cyclus, bachelor, master) die niet kunnen deelnemen aan langdurige fysiekemobiliteitsactiviteiten voor studie- of stagedoeleinden, bijvoorbeeld vanwege hun studiegebied of omdat zij minder mogelijkheden voor deelname hebben, kunnen een korte periode van fysieke mobiliteit doorlopen door dit te combineren met een verplichte virtuele component.

  • Personeelsmobiliteit

Personeelsmobiliteit kan plaatsvinden vanuit elk programmaland naar elk ander programma- of partnerland. Om zeker te stellen dat de mobiliteitsactiviteiten van hoge kwaliteit zijn en een maximaal effect sorteren, moet de mobiliteitsactiviteit verband houden met de beroepsontwikkeling van de personeelsleden, hun leerbehoeften en hun behoeften op het gebied van persoonlijke ontwikkeling.

Personeelsleden kunnen de hieronder beschreven activiteiten uitvoeren:

  • een onderwijsperiode in het buitenland bij een partnerinstelling voor hoger onderwijs. De onderwijsperiode in het buitenland stelt onderwijzend personeel van instellingen voor hoger onderwijs of bedrijfspersoneel in staat les te geven aan een partnerinstelling voor hoger onderwijs in het buitenland. Personeelsmobiliteit voor onderwijsdoeleinden is mogelijk in elk studiegebied.
  • een opleidingsperiode in het buitenland bij een partnerinstelling voor hoger onderwijs, een bedrijf of een andere relevante werkplek. De opleidingsperiode in het buitenland stelt onderwijzend personeel van instellingen voor hoger onderwijs in staat deel te nemen aan opleidingsactiviteiten in het buitenland die relevant zijn voor hun dagelijkse werkzaamheden in de instelling voor hoger onderwijs. Dit kan plaatsvinden in de vorm van opleidingsevenementen of job shadowing.

Een mobiliteitsperiode in het buitenland voor personeel kan zowel onderwijs- als opleidingsactiviteiten omvatten. Iedere onderwijs- of opleidingsperiode in het buitenland kan worden doorlopen in de vorm van gemengde mobiliteit.

Algemene subsidiabiliteitscriteria

Een mobiliteitsproject voor hoger onderwijs moet aan de onderstaande formele criteria voldoen om in aanmerking te komen voor Erasmus+-subsidie. Algemene subsidiabiliteitscriteria hebben betrekking op de algemene vereisten op projectniveau, terwijl de hieronder genoemde specifieke criteria betrekking hebben op de vereisten betreffende de uitvoering van specifieke activiteiten.

Subsidiabele activiteiten

Instellingen voor hoger onderwijs (IHO’s) mogen een of meer van de volgende activiteiten uitvoeren:

  • studentenmobiliteit voor studiedoeleinden;
  • studentenmobiliteit voor stagedoeleinden;
  • personeelsmobiliteit voor onderwijsdoeleinden;
  • personeelsmobiliteit voor opleidingsdoeleinden;
  • Intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs

Deze mobiliteitsactiviteiten kunnen plaatsvinden tussen programmalanden of vanuit een programmaland naar eender welk partnerland in de wereld (regio’s 1‑14).

Wie kan een aanvraag indienen?

Organisaties die in het bezit zijn van de volgende accreditatie, kunnen een subsidie aanvragen:

  • Voor een aanvraag als individuele IHO: instellingen voor hoger onderwijs die gevestigd zijn in een programmaland en waaraan een Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE) is toegekend.
  • Voor een aanvraag als mobiliteitsconsortium: coördinerende organisaties die zijn gevestigd in een programmaland en die een consortium coördineren waaraan een Erasmus-accreditatie voor mobiliteitsconsortia in het hoger onderwijs is toegekend. Organisaties die niet in het bezit zijn van een geldige consortiumaccreditatie, kunnen in het kader van een en dezelfde oproep, of van een vorige oproep, namens een mobiliteitsconsortium hierom verzoeken en een subsidieaanvraag voor een mobiliteitsproject indienen. Alle betrokken instellingen voor hoger onderwijs uit programmalanden moeten houder zijn van een Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE). Deze organisaties komen alleen in aanmerking voor een mobiliteitsproject als gunstig gevolg wordt gegeven aan hun verzoek om een consortiumaccreditatie.

Hogeronderwijsstudenten en -personeel kunnen niet rechtstreeks een subsidie aanvragen: de selectiecriteria voor deelname aan de mobiliteitsactiviteiten en aan intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs worden vastgesteld door de instelling voor hoger onderwijs waar ze studeren of werken.

Begunstigde landen

Voor deelname aan activiteiten:

  • een programmaland
  • een partnerland

Aantal deelnemende organisaties

In het aanvraagformulier wordt één organisatie vermeld (de aanvrager). Dit is één individuele IHO dan wel een coördinator van een mobiliteitsconsortium dat in een programmaland is gevestigd.

Bij de uitvoering van het mobiliteitsproject moeten minimaal twee organisaties (minstens één uitzendende en één ontvangende organisatie) uit verschillende programmalanden betrokken zijn.

Voor intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs: naast de aanvrager moeten minimaal twee IHO’s uit twee andere programmalanden betrokken zijn bij de organisatie van een intensief programma voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs.

Duur van het project

26 maanden

Waar aanvragen?

  • Bij het nationaal agentschap in het land waar de verzoekende organisatie is gevestigd.

Wanneer aanvragen?

Aanvragers moeten hun subsidieaanvraag uiterlijk op 11 mei om 12:00:00 uur (’s middags, Belgische tijd) indienen voor projecten die van start gaan op 1 september van datzelfde jaar.

Hoe aanvragen?

In deel C van deze gids wordt uiteengezet hoe de aanvraag wordt ingediend.

Andere criteria

Een IHO kan bij haar nationaal agentschap subsidies aanvragen via twee verschillende kanalen:

  • rechtstreeks als individuele IHO,
  • via een mobiliteitsconsortium waarvan de IHO coördinator/lid is.

Een IHO kan slechts eenmaal per selectieronde een aanvraag indienen voor een mobiliteitsproject als individuele IHO en/of als coördinerende IHO van een bepaald consortium. Niettemin mag een IHO behoren tot, of instaan voor de coördinatie van verschillende mobiliteitsconsortia die tegelijkertijd een aanvraag indienen.

Beide kanalen (individuele aanvraag en consortiumaanvraag) mogen gelijktijdig worden gebruikt. Worden in eenzelfde academiejaar subsidies aangevraagd via beide kanalen, dan blijft de IHO niettemin de verantwoordelijkheid dragen om dubbele financiering van deelnemers te vermijden.

Het mobiliteitsproject moet het Europees studentenkaart-initiatief uitvoeren om het onlinebeheer van de mobiliteitscyclus en milieuvriendelijkere en inclusievere benaderingen te vergemakkelijken overeenkomstig het Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE) en de ECHE-richtsnoeren.

Aanvragende organisaties worden getoetst aan de relevante uitsluitings- en selectiecriteria. Zie deel C van deze gids voor meer informatie.

Specifieke subsidiabiliteitscriteria voor studentenmobiliteit

In aanmerking komende deelnemende organisaties

  • Studentenmobiliteit voor studiedoeleinden:

Alle deelnemende (zowel uitzendende als ontvangende) organisaties uit programmalanden moeten instellingen voor hoger onderwijs (IHO’s) zijn waaraan een ECHE is toegekend. Alle ontvangende organisaties uit partnerlanden moeten IHO’s zijn die erkend zijn door de bevoegde autoriteiten en zij moeten interinstitutionele akkoorden met hun partners uit programmalanden hebben ondertekend voordat de mobiliteit plaatsvindt.

  • Studentenmobiliteit voor stagedoeleinden:

De uitzendende organisatie moet een IHO zijn uit een programmaland waaraan een ECHE is toegekend.

In het geval van studentenmobiliteit voor stagedoeleinden zijn mogelijke ontvangende organisaties[5]:

  • een publieke of particuliere organisatie uit een programma- of partnerland zijn die actief is op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugdzaken, onderzoek en innovatie. Voorbeelden van dergelijke organisaties zijn:
  • kleine, middelgrote of grote ondernemingen uit de publieke of particuliere sector (met inbegrip van sociale ondernemingen);
  • lokale, regionale of nationale publieke organen;
  • ambassades of consulaire posten van het uitzendende programmaland;
  • sociale partners of andere vertegenwoordigers uit het beroepsleven, met inbegrip van kamers van koophandel, ambachtelijke/beroepsverenigingen en vakbonden;
  • onderzoeksinstellingen;
  • stichtingen;
  • scholen/instituten/onderwijscentra (op elk niveau, van peuter- en kleuteronderwijs tot hoger secundair onderwijs, met inbegrip van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie);
  • organisaties of verenigingen zonder winstoogmerk, niet-gouvernementele organisaties (ngo’s);
  • verstrekkers van diensten inzake studie- en beroepskeuzevoorlichting;
  • een IHO uit een programmaland waaraan een ECHE is toegekend, of een door de bevoegde autoriteiten erkende IHO uit een partnerland die voordat de mobiliteit plaatsvindt een interinstitutioneel akkoord heeft ondertekend met haar partners uit het programmaland.

Duur van de activiteit

Studentenmobiliteit voor studiedoeleinden: van 2 maanden (of één onderwijsperiode of trimester) tot 12 maanden. Dit omvat mogelijk een aanvullende stageperiode, indien gepland, en kan op verschillende manieren worden georganiseerd, afhankelijk van de context: ofwel de ene activiteit na de andere, ofwel beide tegelijkertijd. Bij een combinatie worden de financieringsregels en de minimale duur van de studiemobiliteit in acht genomen.

Studentenmobiliteit voor stagedoeleinden: van 2 tot 12 maanden.

Alle studenten, met name zij die kunnen deelnemen aan langdurige fysieke mobiliteit voor studie- of stagedoeleinden, mogen een kortere periode van fysieke mobiliteit combineren met een virtuele component. Daarnaast kunnen alle studenten deelnemen aan intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs. In dergelijke gevallen dient de periode voor fysieke mobiliteit 5 tot 30 dagen te duren en moet zij worden gecombineerd met een verplichte virtuele component om samenwerking bij e-learninguitwisselingen en groepswerk te vergemakkelijken. Gemengde mobiliteit voor studiedoeleinden moet recht geven op ten minste 3 ECTS-studiepunten.

Mobiliteit voor studie- en/of stagedoeleinden voor doctoraatskandidaten: van 5 tot 30 dagen of van 2 tot 12 maanden (mobiliteit voor studiedoeleinden is eventueel inclusief een aanvullende stageperiode, indien gepland).

Totale duur per studiecyclus:

Dezelfde student kan deelnemen aan mobiliteitsperioden van in totaal maximaal 12 maanden[6] fysieke mobiliteit per studiecyclus[7], ongeacht aantal en soort mobiliteitsactiviteiten:

  • tijdens de eerste studiecyclus (bachelorgraad of gelijkwaardig) inclusief de korte cyclus (niveau 5 en 6 van het Europees kwalificatiekader);
  • tijdens de tweede studiecyclus (mastergraad of gelijkwaardig – niveau 7 van het Europees kwalificatiekader); en
  • tijdens de derde cyclus als "doctoraatskandidaat" (doctoraatsniveau of niveau 8 van het Europees kwalificatiekader).

De duur van een door pas afgestudeerden gevolgde stage telt mee voor de maximale duur van 12 maanden van de studiecyclus waarin ze de stage aanvragen.

Locatie(s) van de activiteit

De studenten moeten hun fysieke mobiliteitsactiviteiten uitvoeren in een ander programma- of partnerland dan het land van de uitzendende organisatie en het land waar de student tijdens zijn/haar studie verblijft[8].

In aanmerking komende deelnemers

Studenten die zijn ingeschreven in een IHO voor een studieprogramma dat wordt bekroond met een erkende graad of een andere erkende kwalificatie op tertiair niveau (tot en met doctoraatsniveau). In het geval van mobiliteit op doctoraatsniveau moet de deelnemer zich op niveau 8 van het Europees kwalificatiekader bevinden.

Pas afgestudeerden in het hoger onderwijs mogen deelnemen aan mobiliteitsactiviteiten voor stagedoeleinden. De begunstigde organisatie kan ervoor kiezen geen stages voor pas afgestudeerden te organiseren. Pas afgestudeerden moeten worden geselecteerd door hun IHO tijdens het laatste studiejaar en moeten hun stage in het buitenland voltooien binnen één jaar na het afstuderen[9].

Andere criteria

Studentenmobiliteit is mogelijk in elk studiegebied. Studentenmobiliteit kan bestaan uit een studieperiode in combinatie met een kortlopende stage (van minder dan 2 maanden) die dan als totale studieperiode wordt beschouwd. De student, de uitzendende en ontvangende organisatie moeten een studieovereenkomst ondertekenen.

De studieperiode in het buitenland moet onderdeel zijn van het studieprogramma dat de student volgt voor het behalen van een diploma. Waar mogelijk moeten de stages een geïntegreerd onderdeel uitmaken van het studieprogramma van de student.

Het volgen van cursussen in een instelling voor hoger onderwijs (IHO) wordt niet beschouwd als een stage.

In het geval van gemengde studentenmobiliteit kunnen de activiteiten deelname aan cursussen in een vorm van gecombineerd afstands- en contactonderwijs bij een IHO van een partnerland betreffen, alsook online-opleidingen en werkopdrachten of deelname aan intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs.

Specifieke subsidiabiliteitscriteria voor personeelsmobiliteit

In aanmerking komende deelnemende organisaties

  • Personeelsmobiliteit voor onderwijsdoeleinden:

De uitzendende organisatie moet:

  • een IHO zijn uit een programmaland waaraan een ECHE is toegekend, of
  • in het geval van het personeel dat is uitgenodigd om te doceren aan een IHO: een publieke of particuliere organisatie (waaraan geen ECHE is toegekend) in een programmaland zijn die actief is op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugdzaken, onderzoek en innovatie. Voorbeelden van dergelijke organisaties zijn:
  • kleine, middelgrote of grote ondernemingen uit de publieke of particuliere sector (met inbegrip van sociale ondernemingen);
  • lokale, regionale of nationale publieke organen;
  • sociale partners of andere vertegenwoordigers uit het beroepsleven, met inbegrip van kamers van koophandel, ambachtelijke/beroepsverenigingen en vakbonden;
  • onderzoeksinstellingen;
  • stichtingen;
  • scholen/instituten/onderwijscentra (op elk niveau, van peuter- en kleuteronderwijs tot hoger secundair onderwijs, met inbegrip van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie);
  • organisaties of verenigingen zonder winstoogmerk, niet-gouvernementele organisaties (ngo’s);
  • verstrekkers van diensten inzake studie- en beroepskeuzevoorlichting.

De ontvangende organisatie moet een IHO uit een programmaland zijn waaraan een ECHE is toegekend, of een IHO, erkend door de bevoegde autoriteiten, uit een partnerland die een interinstitutioneel akkoord met de partner uit het programmaland heeft ondertekend voordat de mobiliteit plaatsvindt. In het geval van uitgenodigd personeel in dienst van bedrijven, moet de ontvangende organisatie een IHO in een programmaland zijn.

  • Personeelsmobiliteit voor opleidingsdoeleinden:

De uitzendende organisatie moet een IHO zijn uit een programmaland waaraan een ECHE is toegekend.

De ontvangende organisatie moet:

  • een IHO uit een programmaland zijn waaraan een ECHE is toegekend, of een IHO uit een partnerland zijn, erkend door de bevoegde autoriteiten, die voordat de mobiliteit plaatsvindt een interinstitutioneel akkoord met haar partners uit het programmaland heeft ondertekend, of
  • een publieke of particuliere organisatie uit een programma- of partnerland zijn die actief is op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugdzaken, onderzoek en innovatie.

Duur van de activiteit

Personeelsmobiliteit voor onderwijs- en opleidingsdoeleinden:

2 dagen tot 2 maanden, exclusief reistijd. In het geval van mobiliteit van programmalanden naar partnerlanden, moet de duur ervan 5 dagen tot 2 maanden bedragen. In beide gevallen moeten dit opeenvolgende dagen zijn.

Wanneer er personeel in dienst van bedrijven is uitgenodigd, geldt een minimale duur van 1 dag.

Een onderwijsactiviteit moet bestaan uit minstens 8 lesuren per week (of elke kortere verblijfsperiode). Indien de mobiliteit langer dan één week duurt, moet het minimumaantal lesuren in een onvolledige week evenredig zijn met de duur van de desbetreffende periode. De volgende uitzonderingen zijn van toepassing:

  • Er is geen minimumaantal lesuren voor uitgenodigd personeel in dienst van bedrijven.
  • Indien de activiteit wordt gecombineerd met een opleidingsactiviteit gedurende één enkele periode in het buitenland, wordt het minimumaantal lesuren per week (of elke kortere verblijfsperiode) verlaagd tot 4 uur.

Locatie(s) van de activiteit

De personeelsleden moeten hun fysiekemobiliteitsactiviteit uitvoeren in een ander programmaland of partnerland dan het land van de uitzendende organisatie en het land van verblijf van het personeel.

In aanmerking komende deelnemers

Personeelsmobiliteit voor onderwijsdoeleinden:

  • Personeel in dienst van een IHO uit een programmaland.
  • Personeel van bedrijven dat is uitgenodigd om te doceren aan een IHO in een programmaland, van elk bedrijf dat werkzaam is in een programmaland, personeel in dienst van een openbare of particuliere organisatie (waaraan geen ECHE is toegekend) die actief is op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken (met inbegrip van “doctoraatskandidaten” die daar werken).

Personeelsmobiliteit voor opleidingsdoeleinden: Personeel in dienst van een IHO uit een programmaland.

Andere criteria

Personeelsmobiliteit kan bestaan uit een onderwijsperiode in combinatie met een opleidingsperiode die dan als totale onderwijsperiode wordt beschouwd. Mobiliteit voor onderwijs- of opleidingsdoeleinden kan plaatsvinden in meer dan één ontvangende organisatie in hetzelfde land, en wordt als één onderwijs- of opleidingsperiode beschouwd, waarbij de minimumduur van het verblijf van toepassing is.

Mobiliteit voor onderwijsdoeleinden is mogelijk in elk studiegebied.

Mobiliteit voor onderwijsdoeleinden kan het verstrekken van opleidingen ten behoeve van de ontwikkeling van de IHO van het partnerland beslaan.

Het personeelslid, de uitzendende en ontvangende organisatie moeten een mobiliteitsovereenkomst ondertekenen.

Intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs

Dit betreft kortlopende intensieve programma’s waarin gebruik wordt gemaakt van innovatieve leer- en onderwijsmethoden, met inbegrip van de inzet van onlinesamenwerking. De programma’s kunnen probleemgericht leren bestrijken waarbij transnationale en multidisciplinaire teams samenwerken bij de aanpak van bepaalde uitdagingen, bijvoorbeeld met betrekking tot de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN of andere door regio’s, steden of bedrijven aangekaarte maatschappelijke uitdagingen. Het programma moet meerwaarde bieden ten opzichte van bestaande cursussen of opleidingen die door de deelnemende instellingen voor hoger onderwijs worden aangeboden, en kan meerdere jaren beslaan. Door nieuwe en flexibelere mobiliteitsvormen mogelijk te maken waarin fysieke mobiliteit wordt gecombineerd met een virtuele component, hebben intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs tot doel studenten met alle mogelijke achtergronden, in elk studiegebied en in elke cyclus te bereiken.

Groepen van instellingen voor hoger onderwijs krijgen de mogelijkheid kortlopende intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs te organiseren in het kader van leer-, onderwijs- en opleidingsactiviteiten voor studenten en personeel. Tijdens deze intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs doorlopen groepen studenten of personeelsleden een periode van kortlopende fysieke mobiliteit in het buitenland in combinatie met een verplichte virtuele component die een online leeruitwisseling in samenwerkingsverband en teamwerk bevordert. De virtuele component moet lerenden online samenbrengen, zodat zij samen en gelijktijdig kunnen werken aan specifieke opdrachten die in het intensieve programma voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs zijn geïntegreerd en meetellen in het kader van de algemene leerresultaten.

Daarnaast kunnen de intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs openstaan voor deelname door studenten en personeelsleden van instellingen voor hoger onderwijs buiten het partnerschap. Intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs creëren capaciteit voor het ontwikkelen en toepassen van innovatieve leer- en onderwijspraktijken in de deelnemende IHO’s.

Specifieke subsidiabiliteitscriteria voor intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs

In aanmerking komende deelnemende organisaties

Een intensief programma voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs moet worden ontwikkeld en uitgevoerd door minstens drie instellingen voor hoger onderwijs (IHO’s) waaraan een ECHE is toegekend, uit minstens drie programmalanden. Daarnaast kan elke andere in een programmaland gevestigde IHO of organisatie deelnemen. IHO’s uit partnerlanden kunnen op eigen kosten deelnemen en deelnemers uitzenden. De deelnemers uit partnerlanden tellen niet mee voor de minimumvereisten.

De coördinerende organisatie moet een IHO zijn waaraan een ECHE is toegekend. Deze IHO is ofwel de aanvragende IHO ofwel een IHO die lid is van het aanvragende mobiliteitsconsortium.

De organisatie die studenten en personeel uitzendt/ontvangt om deel te nemen aan intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs moet een IHO uit een programmaland zijn waaraan een ECHE is toegekend. Voor onderwijzend en opleidend personeel dat zich bezighoudt met de uitvoering van het programma kan het eender welke organisatie in het programmaland zijn (zie in aanmerking komende deelnemers).

Duur van de activiteit

Fysieke mobiliteit van 5 tot 30 dagen van de programmaduur. Er zijn geen subsidiabiliteitscriteria vastgesteld voor de duur van de virtuele component, maar voor de gecombineerde virtuele en fysieke mobiliteit moeten minstens 3 ECTS-studiepunten worden toegekend aan de studenten.

Locatie(s) van de activiteit

De fysieke activiteit kan plaatsvinden in de ontvangende IHO of op een andere locatie in het land van de ontvangende IHO.

In aanmerking komende deelnemers

Studenten:

Studenten die zijn ingeschreven in een IHO voor een studieprogramma dat wordt bekroond met een erkende graad of een andere erkende kwalificatie op tertiair niveau (tot en met doctoraatsniveau).

Personeel: Personeel in dienst van een IHO uit een programmaland.

Onderwijzend en opleidend personeel dat betrokken is bij de uitvoering van het programma:

  • Personeel in dienst van een IHO uit een programmaland.
  • Personeel van bedrijven dat is uitgenodigd om te doceren aan een IHO in een programmaland, van elk bedrijf dat werkzaam is in een programmaland, personeel in dienst van een openbare of particuliere organisatie (waaraan geen ECHE is toegekend) die actief is op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken (met inbegrip van “doctoraatskandidaten” die daar werken).

Andere criteria

Intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs voor studenten en personeel moeten voorzien in kortlopende fysieke mobiliteit in het buitenland in combinatie met een verplichte virtuele component die een online leeruitwisseling in samenwerkingsverband en teamwerk bevordert. De virtuele component moet lerenden online samenbrengen, zodat zij samen en gelijktijdig kunnen werken aan specifieke opdrachten die in het intensieve programma voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs zijn geïntegreerd en meetellen in het kader van de algemene leerresultaten.

Voor intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs moeten minstens 3 ECTS-studiepunten worden toegekend aan de studenten.

Om in aanmerking te komen voor financiering, moet het minimumaantal deelnemers aan een intensief programma voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs 15 zijn (onderwijzend en opleidend personeel dat zich bezighoudt met de uitvoering van het programma, niet meegeteld).

Voor de fysieke activiteiten wordt de individuele steun en, waar van toepassing, steun voor reiskosten aan deelnemers ter beschikking gesteld door de uitzendende organisatie (en door de ontvangende IHO in het geval van uitgenodigd personeel in dienst van bedrijven).

Toekenningscriteria

Er vindt geen kwaliteitstoetsing plaats (de kwaliteit is reeds getoetst bij het indienen van de aanvraag van het ECHE of bij het selecteren van een accreditatie voor een mobiliteitsconsortium). Bijgevolg zijn er geen toekenningscriteria.

Aan elke in aanmerking komende subsidieaanvraag wordt (na toetsing aan de subsidiabiliteitscriteria) financiële steun toegekend.

Het maximale subsidiebedrag hangt af van een aantal elementen:

  • het aantal mobiliteitsactiviteiten waarop de aanvraag betrekking heeft;
  • de prestaties in het verleden van de aanvrager qua aantal mobiliteitsactiviteiten, kwalitatief hoogwaardige uitvoering van de activiteiten en goed financieel beheer indien de aanvrager in voorgaande jaren een soortgelijke subsidie heeft gekregen;
  • het aantal intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs waarop de aanvraag betrekking heeft;
  • het totale nationale budget dat voor de mobiliteitsactie werd uitgetrokken.

Erasmus-accreditatie voor mobiliteitsconsortia in het hoger onderwijs

Een organisatie uit een programmaland die een aanvraag voor een Erasmus+-subsidie indient namens een mobiliteitsconsortium, moet in het bezit zijn van een geldige accreditatie voor mobiliteitsconsortia in het hoger onderwijs. Deze accreditatie wordt toegekend door hetzelfde nationale agentschap dat het verzoek om financiering van een mobiliteitsproject voor hoger onderwijs evalueert. De verzoeken om accreditatie en subsidie voor mobiliteitsprojecten mogen worden ingediend in het kader van dezelfde oproep. De subsidie voor mobiliteitsprojecten wordt echter alleen toegekend aan de IHO’s en organisaties die het accreditatieproces met goed gevolg hebben voltooid. Om een consortiumaccreditatie te verkrijgen, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

Subsidiabiliteitscriteria

In aanmerking komende deelnemende organisaties

Een mobiliteitsconsortium in het hoger onderwijs kan uit de volgende deelnemende organisaties bestaan:

  • instellingen voor hoger onderwijs die houder zijn van een geldig Erasmus-handvest voor hoger onderwijs;
  • publieke of particuliere organisaties die actief zijn op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken.

Elke deelnemende organisatie moet gevestigd zijn in hetzelfde programmaland.

Wie kan een aanvraag indienen?

Elke in aanmerking komende deelnemende organisatie kan optreden als coördinator en kan namens alle bij het consortium betrokken organisaties een aanvraag indienen.

Aantal deelnemende organisaties

Een mobiliteitsconsortium moet uit minstens drie in aanmerking komende deelnemende organisaties bestaan, waaronder twee uitzendende IHO’s.

Alle organisaties die lid zijn van het mobiliteitsconsortium moeten worden geïdentificeerd op het ogenblik dat de aanvraag voor de consortiumaccreditatie wordt ingediend.

Geldigheidsduur van de consortiumaccreditatie

De hele programmeringsperiode.

Waar aanvragen?

  • Bij het nationaal agentschap in het land waar de verzoekende organisatie is gevestigd.

Wanneer aanvragen?

Aanvragers moeten hun accreditatieaanvraag uiterlijk op 11 mei om 12:00:00 uur (’s middags, Belgische tijd) indienen voor projecten die van start gaan op 1 september van datzelfde jaar of latere jaren.

Hoe aanvragen?

In deel C van deze gids wordt uiteengezet hoe de aanvraag wordt ingediend.

Toekenningscriteria

De aanvraag voor accreditatie wordt getoetst aan de volgende criteria:

Relevantie van het consortium

(maximaal 30 punten)

  • De mate waarin het voorstel relevant is voor:
  • de doelstellingen van de actie;
  • de behoeften en doelstellingen van de organisaties die deelnemen aan de activiteiten van het consortium, en van de individuele deelnemers.
  • De mate waarin het voorstel:
  • deelnemers in staat stelt hoogwaardige leerresultaten te behalen;
  • de capaciteiten en de internationale werkingssfeer van de deelnemende organisaties verruimt;
  • meerwaarde oplevert op EU-niveau in de vorm van resultaten die niet worden bereikt in het geval dat activiteiten door elke IHO afzonderlijk worden uitgevoerd.

Kwaliteit van de consortiumsamenstelling en samenwerkingsregelingen

(maximaal 20 punten)

  • De mate waarin:
  • het consortium beschikt over een passende samenstelling met uitzendende instellingen voor hoger onderwijs en, waar nodig, aanvullende deelnemende organisaties uit andere sociaaleconomische sectoren die beschikken over het vereiste profiel, de nodige ervaring en deskundigheid om het project in elk opzicht met succes te voltooien;
  • de consortiumcoördinator ervaringen heeft opgedaan met het beheer van een consortium of een soortgelijk project;
  • de rollen, verantwoordelijkheden en taken/middelen duidelijk verdeeld zijn, en die verdeling wijst op de inzet en actieve bijdrage van alle deelnemende organisaties;
  • de taken/middelen worden gebundeld en gedeeld;
  • de verantwoordelijkheden voor contractuele kwesties en kwesties van financieel beheer duidelijk omschreven zijn;
  • het consortium nieuwkomers en minder ervaren organisaties bij de actie betrekt.

Kwaliteit met betrekking tot ontwerp en uitvoering van consortiumactiviteiten

(maximaal 20 punten)

  • De duidelijkheid, volledigheid en kwaliteit van alle fasen in een mobiliteitsproject (voorbereiding, uitvoering van mobiliteitsactiviteiten en follow-up);
  • De kwaliteit van de praktische regelingen, wijze van beheer en ondersteuning (bijvoorbeeld ontvangende organisaties zoeken, onderlinge afstemming, informatie, taalkundige en interculturele ondersteuning, toezicht);
  • De kwaliteit van samenwerking, coördinatie en communicatie, niet alleen tussen de deelnemende organisaties, maar ook met andere relevante belanghebbenden;
  • Voor zover van toepassing, de kwaliteit van regelingen met het oog op de erkenning en validering van leerresultaten van de deelnemers, alsook het consistente gebruik van Europese instrumenten voor transparantie en erkenning;
  • Indien van toepassing, de geschiktheid van maatregelen om de deelnemers aan mobiliteitsactiviteiten te selecteren en om kansarmen aan te zetten tot deelname aan mobiliteitsactiviteiten.

Effect en verspreiding

(maximaal 30 punten)

  • De kwaliteit van de maatregelen om de resultaten van de door het consortium geleide activiteiten te evalueren;
  • De potentiële effecten van het project:
  • op deelnemers en deelnemende organisaties tijdens en na afloop van het project;
  • buiten de organisaties en personen die rechtstreeks deelnemen aan het project, op institutioneel, lokaal, regionaal, nationaal en/of internationaal niveau.
  • De geschiktheid en kwaliteit van maatregelen met het oog op de verspreiding van de resultaten van de door het consortium geleide activiteiten, zowel binnen de deelnemende organisaties en bij partners, als elders.

Om voor accreditatie in aanmerking te komen, moeten de voorstellen een minimumscore van in totaal 60 punten behalen. Bovendien moeten de voorstellen voor elk toekenningscriterium een score behalen van minstens de helft van het maximumaantal punten.

A) Financieringsregels die gelden voor alle mobiliteitsactiviteiten in het hoger onderwijs

Begrotingsrubriek

Subsidiabele kosten en toepasselijke regels

Bedrag

Organisatorische steun

Kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van mobiliteitsactiviteiten (exclusief verblijf- en reiskosten voor deelnemers).

Financieringsmechanisme: tegemoetkoming in de eenheidskosten.

Toewijzingsregel: op basis van het aantal deelnemers aan mobiliteitsprojecten.

Tot en met de 100ste deelnemer: 400 EUR per deelnemer, en na de 100ste deelnemer: 230 EUR per extra deelnemer

Steun voor inclusie

Kosten in verband met de organisatie van mobiliteitsactiviteiten voor kansarme deelnemers die aanvullende steun nodig hebben, op basis van de werkelijke kosten.

Financieringsmechanisme: tegemoetkoming in de eenheidskosten.

Toewijzingsregel: op basis van het aantal kansarme deelnemers dat aanvullende steun ontvangt vanuit de begrotingsrubriek “steun voor inclusie” op basis van de werkelijke kosten.

100 EUR per deelnemer

Extra kosten die rechtstreeks verband houden met kansarme deelnemers, die niet gedekt kunnen worden via de aanvullende bedragen voor individuele steun voor kansarme deelnemers. Deze kosten zijn met name bedoeld ter dekking van de extra financiële steun die nodig is voor deelnemers met lichamelijke of geestelijke gezondheidsproblemen, om hen te laten deelnemen aan de mobiliteit en aan voorbereidende bezoeken, en voor begeleiders (met inbegrip van reis- en verblijfkosten, indien gerechtvaardigd en voor zover dit niet is gedekt via de rubrieken “reiskosten” of “individuele steun”).

Financieringsmechanisme: werkelijke kosten.

Toewijzingsregel: de aanvraag moet worden gemotiveerd door de aanvrager en door het nationale agentschap worden goedgekeurd.

100 % van de subsidiabele kosten

Buitengewone kosten

Kosten voor een financiële garantie, indien het nationaal agentschap daarom verzoekt.

Hoge reiskosten van deelnemers.

Financieringsmechanisme: werkelijke kosten.

Toewijzingsregel: De aanvraag moet worden gemotiveerd door de aanvrager en door het nationale agentschap worden goedgekeurd

Kosten voor een financiële garantie: 80 % van de subsidiabele kosten

Hoge reiskosten: 80 % van de subsidiabele reiskosten

Organisatorische subsidiesteun voor de begunstigde (instellingen voor hoger onderwijs of consortia):

De organisatorische subsidiesteun is een tegemoetkoming in door de instellingen gemaakte kosten voor activiteiten ter ondersteuning van inkomende en uitgaande studenten- en personeelsmobiliteit, teneinde te voldoen aan het Erasmus-handvest voor hoger onderwijs, in het geval van programmalanden, en aan de beginselen van het ECHE zoals die in de interinstitutionele akkoorden zijn weergegeven, in het geval van instellingen uit partnerlanden. Bijvoorbeeld:

  • organisatorische regelingen met partnerinstellingen, inclusief bezoeken aan potentiële partners, teneinde overeenstemming te bereiken over de voorwaarden van de interinstitutionele regelingen inzake selectie, voorbereiding, opvang en integratie van deelnemers aan mobiliteit; en die interinstitutionele regelingen up-to-date te houden;
  • geactualiseerde studiegidsen verstrekken voor internationale studenten;
  • studenten en personeel voorlichten en bijstaan;
  • studenten en personeel selecteren;
  • studieovereenkomsten voorbereiden met het oog op de volledige erkenning van de onderwijscomponenten van studenten; voorbereiding en erkenning van mobiliteitsovereenkomsten voor personeel;
  • taalkundige en interculturele voorbereiding ten behoeve van inkomende en uitgaande studenten en personeelsleden, aanvullend op de taalkundige onlineondersteuning van Erasmus+;
  • de integratie van inkomende deelnemers aan mobiliteit in de IHO vergemakkelijken;
  • zorgen voor efficiënte regelingen inzake mentorschap en supervisie van deelnemers mobiliteit;
  • specifieke regelingen treffen om de kwaliteit van studentenstages in ontvangende ondernemingen/organisaties te waarborgen;
  • zorgen voor de erkenning van onderwijscomponenten en bijbehorende studiepunten, uitreiken van officiële verklaringen en diplomasupplementen;
  • ondersteunen van de re-integratie van deelnemers aan mobiliteit en voortbouwen op nieuw verworven competenties ten behoeve van de IHO’s en gelijkwaardige instellingen;
  • het Europees studentenkaart-initiatief uitvoeren (digitalisering van mobiliteitsbeheer);
  • milieuvriendelijke mobiliteit en het vergroenen van administratieve procedures bevorderen;
  • de deelname van kansarme deelnemers bevorderen en beheren;
  • activiteiten gericht op maatschappelijke betrokkenheid identificeren en bevorderen en de deelname aan dergelijke activiteiten volgen;
  • gemengde mobiliteit en/of internationale mobiliteit bevorderen en beheren.

Instellingen voor hoger onderwijs verbinden zich ertoe alle in het handvest vervatte beginselen na te leven teneinde een hoogwaardige mobiliteit te waarborgen, onder meer door ervoor te zorgen dat: “uitgaande deelnemers aan mobiliteit terdege voorbereid zijn op hun activiteiten in het buitenland, met inbegrip van gemengde mobiliteit, door activiteiten te ondernemen om het vereiste taalvaardigheidsniveau te bereiken en hun interculturele competenties te ontwikkelen” en “inkomende deelnemers aan mobiliteit gepaste taalkundige ondersteuning krijgen”. Daarbij kan nuttig gebruik worden gemaakt van bestaande voorzieningen in instellingen voor taalopleiding. IHO’s die kunnen instaan voor hoogwaardige studenten- en personeelsmobiliteit, met inbegrip van taalkundige ondersteuning, tegen een lagere prijs (of omdat er financiële steun beschikbaar is uit andere financieringsbronnen dan die van de Europese Unie), zouden de mogelijkheid hebben een deel van de organisatorische subsidiesteun over te dragen om meer mobiliteitsactiviteiten te financieren. In de subsidieovereenkomst wordt aangegeven welke flexibiliteit in dit verband wordt geboden.

De begunstigden zijn hoe dan ook contractueel verplicht dergelijke hoogwaardige diensten te verstrekken. De nationale agentschappen oefenen toezicht en controle uit op hun prestaties. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de deelnemersverslagen van studenten en personeelsleden die rechtstreeks kunnen worden geraadpleegd door de nationale agentschappen en de Commissie.

De organisatorische subsidiesteun wordt berekend op basis van het totale aantal ondersteunde uitgaande deelnemers aan mobiliteit (inclusief deelnemers aan mobiliteit van wie de Erasmus+-subsidie voor de gehele mobiliteitsperiode op nihil is vastgesteld — zie hieronder) en inkomende personeelsleden van ondernemingen die lesgeven in een IHO, die de begunstigde of een lid van het mobiliteitsconsortium is. Deelnemers aan mobiliteit van wie de Erasmus+-subsidie voor de gehele mobiliteitsperiode op nihil is vastgesteld, worden gerekend als ondersteunde deelnemers aan mobiliteit omdat zij profiteren van het mobiliteitskader en de organisatorische activiteiten. Bijgevolg wordt organisatorische steun ook voor deze deelnemers betaald.

Voor mobiliteitsconsortia kan deze subsidie worden verdeeld onder alle leden volgens de regels die zij in onderling overleg hebben vastgesteld.

Deelnemers aan mobiliteit van wie de Erasmus+-subsidie op nihil is vastgesteld

Studenten en personeelsleden van wie de Erasmus+-subsidie op nihil is vastgesteld, zijn deelnemers aan mobiliteit die weliswaar geen Erasmus+-subsidie krijgen voor reis- en verblijfkosten, maar niettemin voldoen aan alle criteria inzake studenten- en personeelsmobiliteit en alle voordelen voor studenten en personeelsleden genieten op grond van het Erasmus+-programma. Zij kunnen een niet-Erasmus+-subsidie (bijvoorbeeld uit het ESF), nationale, regionale of andere subsidies ontvangen als tegemoetkoming in hun mobiliteitskosten. Het aantal deelnemers aan mobiliteit van wie de Erasmus+-subsidie voor de gehele mobiliteitsperiode op nihil is vastgesteld, wordt meegerekend in de statistieken voor de prestatie-indicator waarop de toewijzing van EU-begrotingsmiddelen aan de landen wordt gebaseerd.

Steun voor inclusie

Een kansarme is een mogelijke deelnemer die in een zodanige persoonlijke, lichamelijke, geestelijke of gezondheidstoestand verkeert dat hij/zij zonder extra financiële of andere steun niet aan het project of de mobiliteitsactie kan deelnemen. Instellingen voor hoger onderwijs die kansarme studenten en/of personeelsleden hebben geselecteerd, kunnen bij het nationaal agentschap aanvullende subsidiesteun aanvragen om de extra uitgaven voor hun deelname aan de mobiliteitsactiviteiten te dekken. Voor kansarme deelnemers, met name deelnemers met lichamelijke of geestelijke gezondheidsproblemen, kan de subsidiesteun daarom hoger liggen dan de hieronder genoemde maximumwaarden voor de individuele subsidiebedragen. Op hun website leggen de instellingen voor hoger onderwijs uit hoe kansarme studenten en personeelsleden deze aanvullende subsidiesteun kunnen aanvragen en rechtvaardigen.

Voor extra financiële steun ten behoeve van kansarme studenten en personeelsleden kan ook worden geput uit andere lokale, regionale en/of nationale financieringsbronnen.

Begeleiders van kansarme studenten en personeelsleden hebben recht op een vergoeding gebaseerd op de reële kosten.

Door het Erasmus-handvest voor hoger onderwijs te ondertekenen, verbinden de instellingen voor hoger onderwijs zich ertoe te zorgen voor gelijke toegang en kansengelijkheid voor alle deelnemers, ongeacht hun achtergrond. Kansarme studenten en personeel kunnen derhalve ook gebruikmaken van de ondersteunende diensten die de ontvangende instelling de plaatselijke studenten en personeelsleden aanbiedt.

Buitengewone kosten voor dure reizen

Alleen deelnemers die in aanmerking komen voor steun voor reiskosten en deelnemen aan mobiliteit, komen in aanmerking voor buitengewone kosten voor dure reizen:

begunstigden van mobiliteitsprojecten kunnen financiële steun aanvragen voor hoge reiskosten van deelnemers onder de begrotingsrubriek “buitengewone kosten” (80 % van de subsidiabele reiskosten). Dit zal worden toegestaan op voorwaarde dat de begunstigde kan aantonen dat volgens de financieringsregels (gebaseerd op de eenheidskosten per reisafstand) niet minimaal 70 % van de reiskosten van de deelnemers is gedekt. Indien deze worden toegekend, vervangen de buitengewone kosten voor dure reizen de steun voor reiskosten.

Andere financieringsbronnen

Studenten en personeelsleden kunnen in aanvulling op de Erasmus+-subsidie of ter vervanging van de EU-subsidie (deelnemers aan mobiliteit van wie de EU-subsidie op nihil is vastgesteld) regionale, nationale of andere steun krijgen die wordt beheerd door een andere organisatie dan het nationaal agentschap (bijvoorbeeld ministeries of regionale overheden). Erasmus+-subsidies kunnen ook worden vervangen door andere vormen van steun vanuit de EU-begroting (bijvoorbeeld vanuit het ESF). De in deze gids vermelde bedragen en boven- en ondergrenzen zijn niet van toepassing op dergelijke subsidies uit andere financieringsbronnen dan de EU-begroting.

B) Subsidie ter ondersteuning van studentenmobiliteit

Individuele steun voor fysieke mobiliteit

Studenten kunnen individuele subsidiesteun ontvangen als tegemoetkoming in hun extra reis- en verblijfkosten tijdens de studie- of stageperiode in het buitenland.

Voor mobiliteit tussen programmalanden en naar programmalanden uit de regio’s 5 en 14 worden deze maandelijkse bedragen vastgesteld door de nationale agentschappen in overleg met de nationale autoriteiten en/of de instellingen voor hoger onderwijs op basis van objectieve en transparante criteria die hieronder worden uiteengezet. De exacte bedragen worden gepubliceerd op de websites van de nationale agentschappen en/of de instellingen voor hoger onderwijs.

Programmalanden en partnerlanden uit de regio’s 5 en 14[10] zijn onderverdeeld in de volgende drie groepen:

Groep 1

Landen met hoge kosten voor levensonderhoud

Denemarken, Finland, IJsland, Ierland, Liechtenstein, Luxemburg, Noorwegen, Zweden.

Partnerlanden uit regio 14.

Groep 2

Landen met middelhoge kosten voor levensonderhoud

België, Cyprus, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Italië, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje.

Partnerlanden uit regio 5.

Groep 3

Landen met lage kosten voor levensonderhoud

Bulgarije, Kroatië, Tsjechië, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Servië, Slowakije, Slovenië, Republiek Noord-Macedonië, Turkije.

De aan studenten toegekende individuele Erasmus+-subsidiesteun hangt af van de mobiliteitsstroom tussen de uitzendende en ontvangende landen van de student, te weten:

  • mobiliteit naar een land met vergelijkbare kosten voor levensonderhoud: de studenten krijgen de EU-subsidie in het middensegment;
  • mobiliteit naar een land met een hogere kosten voor levensonderhoud: de studenten krijgen de EU-subsidie in het bovensegment;
  • mobiliteit naar een land met lagere kosten voor levensonderhoud: de studenten krijgen de EU-subsidie in het ondersegment.

De door de nationale agentschappen bepaalde bedragen worden vastgesteld binnen de volgende boven- en ondergrenzen:

  • EU-subsidie in het middensegment: het middensegment, met subsidies tussen 260 en 540 EUR per maand, is van toepassing op activiteiten voor mobiliteit naar een land met vergelijkbare kosten voor levensonderhoud: a) van landen uit groep 1 naar landen uit groep 1, b) van landen uit groep 2 naar landen uit groep 2 en c) van landen uit groep 3 naar landen uit groep 3.
  • EU-subsidie in het bovensegment: komt overeen met het door het nationale agentschap toegepaste middensegment, vermeerderd met minstens 50 EUR, en ligt tussen 310 en 600 EUR per maand. Dit is van toepassing op activiteiten voor mobiliteit naar een land met hogere kosten voor levensonderhoud: a) van landen uit groep 2 naar landen uit groep 1 en b) van landen uit groep 3 naar landen uit groep 1 en 2.
  • EU-subsidie in het ondersegment: komt overeen met het door het nationale agentschap toegepaste middensegment, verminderd met minstens 50 EUR, en ligt tussen 200 en 490 EUR per maand. Dit is van toepassing op activiteiten voor mobiliteit naar een land met lagere kosten voor levensonderhoud: a) van landen uit groep 1 naar landen uit groep 2 en 3 en b) van landen uit groep 2 naar landen uit groep 3.

De nationale agentschappen houden rekening met twee specifieke criteria om te bepalen welke bedragen van toepassing zijn op de begunstigden in hun land:

  • de beschikbaarheid en omvang van andere medefinancieringsbronnen van publieke of particuliere organen op lokaal, regionaal of nationaal niveau ter aanvulling van de EU-subsidie;
  • de algemene vraag bij studenten die van plan zijn in het buitenland te studeren of een opleiding te volgen.

De nationale agentschappen mogen hun instellingen voor hoger onderwijs meer armslag geven voor mobiliteitsactiviteiten tussen programmalanden en naar programmalanden uit de regio’s 5 en 14 door grenzen vast te stellen in plaats van bedragen op nationaal niveau. Dit besluit moet berusten op gerechtvaardigde gronden, bijvoorbeeld in landen waar op regionaal of institutioneel niveau medefinanciering beschikbaar is.

Kansarme studenten en pas afgestudeerden — aanvullend bedrag bij de individuele steun

Kansarme studenten en pas afgestudeerden krijgen een aanvullend bedrag van 250 EUR per maand bovenop de individuele steun van hun Erasmus+-subsidie. De toe te passen criteria worden op nationaal niveau vastgesteld door de nationale agentschappen in overleg met de nationale autoriteiten.

Kansarme studenten en pas afgestudeerden die een stage volgen — aanvullend bedrag bij de individuele steun

Studenten en pas afgestudeerden die een stage volgen zullen een aanvullend bedrag van 150 EUR per maand krijgen bovenop de individuele steun van de Erasmus+-subsidie. Kansarme studenten en pas afgestudeerden die een stage volgen, hebben recht op het aanvullende bedrag voor kansarme studenten en pas afgestudeerden en het aanvullende bedrag voor het volgen van een stage.

Studenten en pas afgestudeerden uit de ultraperifere regio’s en LGO

Gezien de problemen in verband met de grote afstand van andere programmalanden en de economische situatie, ontvangen studenten en pas afgestudeerden die onderwijs volgen of hebben gevolgd aan instellingen voor hoger onderwijs in de ultraperifere regio’s van de EU-lidstaten en landen of gebieden overzee (LGO) die aan de EU-lidstaten zijn verbonden, de volgende hogere bedragen als individuele steun:

Van

Naar

Bedrag

Ultraperifere regio’s en LGO

Programmalanden en partnerlanden uit de regio’s 5 en 14.

700 EUR per maand

De aanvullende bedragen voor kansarme studenten en pas afgestudeerden en voor het volgen van een stage zijn in dit geval niet van toepassing.

Studenten en pas afgestudeerden die deelnemen aan mobiliteit van programma- naar partnerlanden (“internationale mobiliteit”)

Het basisbedrag voor individuele steun wordt als volgt vastgesteld:

Van

Naar

Bedrag

Programmalanden

Partnerlanden uit de regio 1 tot en met 4 en 6 tot en met 13.

700 EUR per maand

Programmalanden

Partnerlanden uit de regio’s 5 en 14.

Zoals hierboven beschreven onder „Subsidie ter ondersteuning van studentenmobiliteit — Individuele steun voor fysieke mobiliteit”.

Het aanvullende bedrag voor kansarme studenten en pas afgestudeerden is in dit geval van toepassing.

Het aanvullende bedrag voor stages is niet van toepassing in het geval van mobiliteit naar partnerlanden uit de regio’s 1 tot en met 4 en 6 tot en met 13.

De programmalanden bestrijken de ultraperifere regio’s en LGO.

Studenten en pas afgestudeerden die deelnemen aan kortlopende fysieke mobiliteit (gemengde mobiliteit en kortlopende mobiliteit op doctoraatsniveau)

De basisbedragen voor individuele steun worden als volgt vastgesteld:

Duur van de fysieke activiteit

Bedrag (elk programma- of partnerland)

Tot en met de 14e dag van de activiteit

70 EUR per dag

tussen de 15e en 30e dag van de activiteit

50 EUR per dag

De individuele steun kan ook één reisdag vóór de activiteit en één reisdag na de activiteit beslaan.

Kansarme studenten en pas afgestudeerden — aanvullend bedrag bij de individuele steun voor kortlopende fysieke mobiliteit

Kansarme studenten en pas afgestudeerden ontvangen bovenop de individuele steun van hun Erasmus+-subsidie een aanvullend bedrag van 100 EUR voor een periode van fysieke mobiliteitsactiviteiten van 5‑14 dagen en 150 EUR voor een dergelijke periode van 15‑30 dagen. De toe te passen criteria worden op nationaal niveau vastgesteld door de nationale agentschappen in overleg met de nationale autoriteiten.

Het aanvullende bedrag voor het volgen van een stage is in dit geval niet van toepassing.

De programmalanden bestrijken de ultraperifere regio’s en LGO.

Studenten en pas afgestudeerden die geen steun voor reiskosten ontvangen — aanvullend bedrag bij de individuele steun voor groen reizen

Studenten en pas afgestudeerden die geen steun voor reiskosten ontvangen, kunnen kiezen voor groen reizen. In dat geval zullen ze een eenmalige tegemoetkoming ontvangen van 50 EUR als aanvullend bedrag bij de individuele steun en maximaal 4 dagen extra individuele steun ter dekking van de reisdagen voor een retourreis, indien van toepassing.

Steun voor reiskosten

De volgende deelnemers kunnen de onderstaande bedragen aan steun voor reiskosten ontvangen om hen te helpen hun reiskosten te dekken:

  • studenten en pas afgestudeerden die studeren of hebben gestudeerd aan instellingen voor hoger onderwijs in ultraperifere gebieden van EU-lidstaten, Cyprus, IJsland, Malta en landen of gebieden overzee (LGO) die aan de EU-lidstaten zijn verbonden en die naar programmalanden of partnerlanden uit de regio’s 5 of 14 gaan;
  • kansarme studenten en pas afgestudeerden die deelnemen aan kortlopende mobiliteit, en
  • studenten en pas afgestudeerden die naar partnerlanden gaan, met uitzondering van partnerlanden uit de regio’s 5 en 14.

Reisafstanden[11]

In geval van een standaardreis

In geval van groen reizen

Tussen 10 en 99 km:

23 EUR per deelnemer

 

Tussen 100 en 499 km:

180 EUR per deelnemer

210 EUR per deelnemer

Tussen 500 en 1999 km:

275 EUR per deelnemer

320 EUR per deelnemer

Tussen 2000 en 2999 km:

360 EUR per deelnemer

410 EUR per deelnemer

Tussen 3000 en 3999 km:

530 EUR per deelnemer

610 EUR per deelnemer

Tussen 4000 en 7999 km:

820 EUR per deelnemer

 

8000 km of meer:

1500 EUR per deelnemer

 

Studenten en pas afgestudeerden die kiezen voor groen reizen zullen maximaal 4 dagen extra individuele steun ontvangen ter dekking van de reisdagen voor een retourreis, indien van toepassing.

Voor mobiliteit van programmalanden naar partnerlanden, met uitzondering van partnerlanden uit de regio’s 5 en 14, moeten kansarme studenten en pas afgestudeerden steun ontvangen voor reiskosten. Begunstigden kunnen ervoor kiezen geen steun voor reiskosten te bieden aan alle andere studenten en pas afgestudeerden die deelnemen aan mobiliteit van programmalanden naar partnerlanden, met uitzondering van partnerlanden uit de regio’s 5 en 14.

C) Subsidie ter ondersteuning van personeelsmobiliteit

De volgende EU-subsidie wordt toegekend aan personeelsleden als tegemoetkoming in hun reis- en verblijfkosten tijdens de in het buitenland doorgebrachte periode:

Begrotingsrubriek

Subsidiabele kosten en toepasselijke regels

Bedrag

Steun voor reiskosten

Tegemoetkoming in de kosten die deelnemers maken om van de plaats van oorsprong te reizen naar de locatie van de activiteit en terug.

Financieringsmechanisme: tegemoetkoming in de eenheidskosten.

Toewijzingsregel: op basis van de reisafstand per deelnemer. De aanvrager moet de afstand tussen de plaats van oorsprong en de locatie van de activiteit aangeven[12] met behulp van de door de Europese Commissie ondersteunde afstandscalculator[13].

Reisafstand

Standaardreis

Groen reizen

0 – 99 km

23 EUR

 

100 – 499 km

180 EUR

210 EUR

500 – 1 999 km

275 EUR

320 EUR

2 000 – 2 999 km

360 EUR

410 EUR

3 000 – 3 999 km

530 EUR

610 EUR

4 000 – 7 999 km

820 EUR

 

8 000 km of meer

1 500 EUR

 

Individuele steun

Kosten die rechtstreeks verband houden met het verblijf van de deelnemers tijdens de activiteit.

Financieringsmechanisme: tegemoetkoming in de eenheidskosten.

Toewijzingsregel: op basis van de verblijfsduur per deelnemer (indien nodig, met inbegrip van één reisdag vóór de activiteit en één reisdag na de activiteit).

Personeel dat kiest voor groen reizen zal maximaal vier dagen extra individuele steun ontvangen ter dekking van de reisdagen voor een retourreis, indien van toepassing.

tot en met de 14e dag van de activiteit: Tabel A1.1, per dag per deelnemer

tussen de 15e en 60e dag van de activiteit: 70 % van tabel A1.1, per dag per deelnemer

Tabel A – Individuele steun (bedragen in euro per dag)

De bedragen hangen af van het ontvangende land. Deze bedragen worden vastgesteld binnen de in de onderstaande tabel aangegeven boven- en ondergrens. De nationale agentschappen houden in overleg met de nationale autoriteiten rekening met twee specifieke criteria om te bepalen welke bedragen van toepassing zijn op de begunstigden in hun land:

  • de beschikbaarheid en omvang van andere medefinancieringsbronnen van publieke of particuliere organen op lokaal, regionaal of nationaal niveau ter aanvulling van de EU-subsidie;
  • de algemene vraag bij personeelsleden die van plan zijn in het buitenland les te geven of een opleiding te volgen.

Op alle landen van bestemming moet hetzelfde percentage binnen de boven- en ondergrens worden toegepast. Het is niet mogelijk om voor alle landen van bestemming hetzelfde bedrag te geven.

 

Personeel uit programmalanden

Ontvangend land

Boven-/ondergrens (per dag)

 

A1.1

Noorwegen, Denemarken, Luxemburg, IJsland, Zweden, Ierland, Finland, Liechtenstein

Partnerlanden uit regio 14

80-180

Nederland, Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje, Cyprus, Griekenland, Malta, Portugal

Partnerlanden uit regio 5

70-160

Slovenië, Estland, Letland, Kroatië, Slowakije, Tsjechië, Litouwen, Turkije, Hongarije, Polen, Roemenië, Bulgarije, de Republiek Noord-Macedonië, Servië

60-140

Partnerlanden uit de regio’s 1 tot en met 4 en 6 tot en met 13.

180

De nationale agentschappen mogen hun instellingen voor hoger onderwijs meer armslag geven voor mobiliteitsactiviteiten tussen programmalanden en naar programmalanden uit de regio’s 5 en 14 door grenzen vast te stellen in plaats van bedragen op nationaal niveau. Dit besluit moet berusten op gerechtvaardigde gronden, bijvoorbeeld in landen waar op regionaal of institutioneel niveau medefinanciering beschikbaar is. De exacte bedragen worden gepubliceerd op de websites van elk nationaal agentschap en de instellingen voor hoger onderwijs

D) Door de instellingen voor hoger onderwijs en mobiliteitsconsortia bepaalde omvang van de financiële steun voor studenten en personeel

De instellingen voor hoger onderwijs en mobiliteitsconsortia moeten hoe dan ook de volgende beginselen en criteria in acht nemen bij het bepalen en/of toepassen van de EU-steunbedragen in hun instelling:

  • Zodra de bedragen door de instellingen/consortia zijn vastgelegd, mogen die niet veranderen tijdens de duur van het mobiliteitsproject. Het is niet mogelijk om de hoogte van de beurzen binnen hetzelfde project te verhogen of te verlagen.
  • De steunbedragen moeten op objectieve en transparante wijze worden bepaald en/of toegepast met inachtneming van alle hierboven toegelichte beginselen en methoden (dat wil zeggen rekening houdend met de mobiliteitsstroom en aanvullende specifieke financiering).
  • De toegekende subsidie moet gelijk zijn in omvang voor alle studenten die zich naar dezelfde groep landen verplaatsen voor hetzelfde soort mobiliteit, dat wil zeggen om te studeren of om een stage te volgen (met uitzondering van studenten en pas afgestudeerden uit kansarme milieus of afkomstig uit de ultraperifere programmalanden en regio’s en LGO).

E) Intensieve programma’s voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs

Begrotingsrubriek

Subsidiabele kosten en toepasselijke regels

Bedrag

Organisatorische steun

Kosten die rechtstreeks verband houden met de organisatie van de intensieve programma’s (exclusief verblijf- en reiskosten voor deelnemers).

Financieringsmechanisme: tegemoetkoming in de eenheidskosten.

Toewijzingsregel: op basis van het aantal deelnemers aan mobiliteitsprojecten, geen rekening houdend met onderwijzend/opleidend personeel dat betrokken is bij de uitvoering van het programma.

De coördinerende instelling voor hoger onderwijs doet een aanvraag voor organisatorische steun in naam van de groep van instellingen die gezamenlijk het intensief programma voor gecombineerd afstands- en contactonderwijs organiseert.

400 EUR per deelnemer, met een minimum van 15 deelnemers en een maximum van 20 gesubsidieerde deelnemers.

  1. https://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/resources/documents/applicants/higher-education-charter_nl

  2. https://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/resources/documents/erasmus-charter-higher-education-2021‑2027-guidelines_en

  3. Elke studentenstage zal worden beschouwd als een “stage in digitale vaardigheden” wanneer een of meerdere van de volgende activiteiten worden uitgeoefend door de stagiair: digitale marketing (bv. beheer van sociale media, webanalyse); digitaal grafisch, mechanisch of bouwkundig ontwerp; ontwikkeling van apps, software, scenario’s of websites; installatie, onderhoud en beheer van IT-systemen en -netwerken; cyberveiligheid; data-analyse, gegevensexploitatie en -weergave; programmering en training van robots en toepassingen binnen de artificiële intelligentie. Algemene klantenondersteuning, orderverwerking, gegevensinvoer of kantoortaken zijn niet in aanmerking genomen in deze categorie.

  4. Postdocs kunnen binnen 12 maanden na afstuderen met dezelfde vereisten als alle andere pas afgestudeerden deelnemen aan stages. Voor landen waar pas afgestudeerden na hun afstuderen een militaire of ambtelijke dienstplicht moeten vervullen, wordt de periode waarin zij als pas afgestudeerde in aanmerking komen, verlengd met de duur van die dienst.

  5. De volgende soorten organisaties komen niet in aanmerking als ontvangende organisaties in het kader van studentenmobiliteit voor stagedoeleinden:

    EU-instellingen en andere EU-organen, waaronder gespecialiseerde agentschappen (een volledige lijst is te vinden op de website https://europa.eu/european-union/about-eu/institutions-bodies_nl); organisaties die EU-programma’s beheren, zoals nationale Erasmus+-agentschappen (om mogelijke belangenconflicten en/of dubbele financiering te voorkomen).

  6. Eerder opgedane ervaring in het kader van het Erasmus+-programma en/of als Erasmus Mundus-bursaal telt mee voor de periode van 12 maanden per studiecyclus.

  7. In studieprogramma’s van één cyclus, zoals geneeskunde, kunnen de studenten maximaal 24 maanden mobiel zijn.

  8. In het geval van buitenlandse campussen die afhankelijk zijn van de moederinstelling en onder hetzelfde ECHE vallen, zal het land waar de moederinstelling is gevestigd als het uitzendende land worden beschouwd. Daarom is het niet mogelijk Erasmus+-mobiliteitsactiviteiten te organiseren tussen campussen en de moederinstelling die onder hetzelfde ECHE vallen.

  9. Voor landen waar afgestudeerden na hun afstuderen een militaire of burgerdienst moeten vervullen, wordt de periode waarin zij als pas afgestudeerde in aanmerking komen, verlengd met de duur van die dienst.

  10. Partnerlanden uit de regio’s 5 en 14 zijn alleen ontvangende landen.

  11. Op basis van de reisafstand per deelnemer. De reisafstand moet worden berekend met behulp van de door de Europese Commissie ondersteunde afstandscalculator (http://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/tools/distance_nl.htm). De afstand van een enkele reis moet worden gebruikt voor de berekening van het EU-subsidiebedrag voor de heen- en terugreis.

  12. Indien bijvoorbeeld iemand uit Madrid (Spanje) deelneemt aan een activiteit in Rome (Italië), moet de aanvrager de afstand van Madrid naar Rome berekenen (1 365,28 km) en vervolgens de toepasselijke reisafstandscategorie selecteren (bv. tussen 500 en 1 999 km).

  13. https://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/resources/distance-calculator_nl